"Het verdriet van Oom Huliselan"

terug naar de pagina "Artikelen"

oom huliselanJulius Urbanis Huliselan (1926) is een hoffelijke man. Na ons gesprek brengt hij me te voet naar het metrostation van Capelle aan den IJssel. In de wijk groeten ze hem, en hij groet vriendelijk terug, ook met een lichte knik van zijn hoofd. Het verleent hem waardigheid, deze manier van respect voor de anderen. In de wijk is hij een van de oudsten, bovendien was hij tientallen jaren de voorzitter van de wijkraad. Iedereen kent hem. Hij heeft bijna alle volwassenen gekend toen ze nog een kind waren. De tijd is snel gegaan. In ons lange gesprek is steeds een ondertoon van verdriet bij hem merkbaar: de actieve wijkraden van toen zijn er niet meer, van de ouderen is hij een van de laatsten. Veel is voorbij gegaan.

"Dáár moet het beter," wijst J. Huliselan. "En daar ook. Achter die heggen is er meer onderhoud nodig." We staan buiten, bij de geïmproviseerde brug van de buren. Zijn buurvrouw zit in een rolstoel en rijdt dagelijks over die brug, in en uit haar huis gaande. Oom Huliselan vindt dat er iets anders nodig is. Het onderhoud van de Molukse wijk van Capelle aan den IJssel gaat hem aan het hart, ook nu hij geen voorzitter van de wijkraad meer is. Buiten staat een koude wind, we gaan vlug terug.
Weer binnen zitten we aan tafel in zijn mooie woning. Er ligt een wit gehaakt kleed over, dat vaak verschuift door het gladde hout. Dan trekt hij het meteen recht. Hij houdt zijn wereld netjes.
We praten over de wijkraad, over verantwoordelijkheidsgevoel en over de Molukse belangen. Hij zegt het niet hardop, maar wanneer het daarover gaat, heeft hij weinig vertrouwen in de Hollandse overheid. "Wanneer je jezelf Molukker noemt, moet je voor de gemeenschap opkomen," vindt hij. Een stevige stelling. Want er zit een besef van plicht in, en als iemand van deze generatie het zegt... Volgend jaar viert hij zijn 89ste verjaardag, op 25 juli. Het grootste gedeelte van zijn leven heeft hij in Nederland doorgebracht, maar een huis in zijn dorp Nolloth op Saparoea heeft hij ook. Soms denkt hij over teruggaan en dan voorgoed. Maar dat is moeilijk. Twee dochters en vijf kleinkinderen heeft hij hier. En daar? Op foto's laat hij het huis zien. Alles oogt mooi en warm, en hij zit ontspannen in een stoel, jaren en jaren jonger ogend. Het zegt veel.

Portretten
"Dat huis heb ik door mijn jongste broer laten bouwen. Hij woont in Jakarta, toen het oude huis van ons weg was, dacht ik, nu ga ik een nieuw huis bouwen. Ik stuurde geld en hij heeft het laten bouwen. Alles is er nu anders dan vroeger. Vroeger in de koloniale tijd was er niks. Nu is er elektriciteit en alles, nou. Ook waterleiding is er. Vroeger niet. Dan moest je water halen uit de bron met een emmer." Hij weet alles nog. Julius Urbanus Huliselan was de oudste van zeven kinderen, vijf broers en twee zusters. Zijn vader Augustinus Selanno en zijn moeder Jacomina Huliselan. Op het dressoir in Capelle staat een lijstje met hun portretten. Ze zijn er niet meer, en hun oudste zoon houdt hen nog altijd in ere.
Terug naar toen. "Ik ging gewoon naar de lagere Maleise school. Mijn broers en zussen ook. Maar... we hebben niet zoveel kans in de koloniale tijd. Op Maluku is er niets. Op Java zijn alle scholen gewoon beter. De gewone mensen die arm zijn en kinderen hebben die moeten leren, kunnen dat niet betalen. Het kost te veel geld. Voor de Molukkers is dat moeilijk. Dus wachten de kinderen tot ze 18 jaar zijn en dan gaan ze naar de dienst toe. Het KNIL. Dat is ook de politiek van de koloniale tijd. De Molukken hebben niets alleen de ambtenaren en de militairen, dat zijn de ouders die een beetje verdienen. Die kinderen kunnen naar een Hollandse school."
Wat oneerlijk, zeg ik meteen.
Oom Huliselan knikt. "Toen zagen we het niet. Later, als we langer hier zijn, zeg ik verdorie, daar waren niet zoveel kansen. En nu nog is het moeilijk op de Molukken. Veel werkloosheid. De mensen zijn arm."
We praten over de weinige kansen die er waren. Andere kinderen fantaseren over wat ze allemaal willen worden. Voor hem was er dat niet bij. Hij wist: de enige mogelijkheid is het leger in. Toch liep dat anders. "De oorlog kwam. De Jappen pakken mij op voor dwangarbeid, alle mannen moesten werken. Ik was toen zestien jaar, bijna zeventien. De andere kinderen waren nog te jong, die bleven thuis. Ik heb overal moeten werken. Honger? Dat is een beetje makkelijk voor ons. Wij hadden het land, wij hadden een tuin, maar de mensen moesten soms stelen om in leven te blijven." Zo gaan die jaren voorbij en daarna wordt het niet veel beter.
Oom Huliselan gaat als recruiter voor de politie werken. Hij wordt in Makassar (Celebes) geplaatst en daar, in de deelstaat Oost-Indonesië, kwam weer een klap. De federatie Indonesia eiste de deelstaat op. "Alles moest uit Makassar," zegt hij. En als uitleg: "Ze beschouwen ons als buitenlandse troepen. Wij Molukkers willen niet dat we overgaan naar Indonesia."
Het zijn treurige verhalen vol politiek, met mensen die als pionnen op een schaakbord verplaatst worden. Die naar Java, anderen naar Bali, en dan is het 1951, het jaar waarin de schepen naar Nederland gaan varen.
"Als enige van mijn gezin," zegt hij. "Zonder afscheid te nemen van mijn ouders. Dat kon niet meer."

Vrijgezellen
Zo verplaatst het levensverhaal van Oom Huliselan zich naar Nederland. Pas in 1980 wilde hij terug. Indonesië weigerde hem een visum te geven, zonder opgaaf van redenen. "Toen heb ik de beslissing genomen om Nederlander te worden. Want ik dacht, als ik er ben en ze pakken mij, dan moet de ambassade zorgen dat ik als Nederlander weg kan komen. In 1982 ging ik terug." Zo dacht hij. Nog oom huliselaneven terug in de tijd, naar de eerste jaren in Nederland, toen hij als jonge man van 27 jaar hier kwam.
"Wij kwamen in Norg (Drenthe). Daar helemaal. Een kamp middenin het bos voor 132 vrijgezellen. Allemaal jongens. Er waren al mensen getrouwd maar die woonden apart, de vrijgezellen gaan naar Norg, dat duurde van maart tot begin juli, en daarna gingen we naar Westerbork. Daarvandaan naar Slikkerveer met de jongens van ons, toen waren er ook al anderen bij. In Slikkerveer komen we in een kamp van de fabriek, waar we werken. We hadden allemaal hetzelfde meegemaakt dus wij begrepen elkaar. We waren allemaal hetzelfde. Ook in het geloof." Wijkraad
Na Slikkerveer kwam Oom Huliselan in een nieuw kamp, IJsseloord, en daarna in de Molukse wijk van Capelle aan den IJssel (1958). Daar woont hij nog. "Ik wilde naar de Molukse mensen." Hij werkte in de fabriek, hij trouwde en kreeg kinderen, en hij was vele jaren actief in de kampraad en in de wijkraad, vanaf 1958 als voorzitter. Geen wonder dat er aan de muur een koninklijke onderscheiding hangt als dank voor zijn inzet. Maar denk niet dat hij altijd zachtmoedig was. Er schuilt een matjan in hem, een tijger, die blijft vechten. Waren er problemen met het onderhoud van de huizen? Oom Huliselan ging naar Den Haag, actie voeren, naar Wassenaar, protesteren, naar de gemeente, om op te komen voor de mensen in zijn wijk. Dat had hij indertijd nooit van zichzelf gedacht, vertelt hij.
"In IJsseloord moest er een kampraad komen. Een paar mensen zijn naar mij gekomen om te vragen of ik me kandidaat wilde stellen. Ik dacht, wat moet ik dan doen? Voor mij was het moeilijk. Maar ik gaf toe: zet mijn naam maar daar op als kandidaat. Zo ben ik gekozen. Wij waren met vijf, toen. Ik ben de enige nog in leven, want toentertijd was ik de jongste. Je moet de belangen van de Molukkers behartigen. Dat was de bedoeling. Je moet zorgen voor jouw eigen mensen. Er moest contact zijn, als er in het kamp moeilijkheden zijn, als de mensen wat nodig hebben. Soms was er ruzie. Ja, die politieke verschillen. Verschil van mening, hè? Ook door de RMS."
In 2005 is hij gestopt met de wijkraad. Dat wil zeggen, bijna helemaal. Nog een paar jaar adviezen uitbrengen en toen: "Genoeg", zegt hij met een zachte stem, die toch heel gedecideerd klinkt. Het is tijd voor een andere generatie, maar een nieuwe wijkraad zoals hij zich dat voorstelt, die is er nog niet. En dat moet toch. Een wijkraad kan naar de gemeente gaan als die er niet voor zorgt dat een invalide buurvrouw een brug naar haar voordeur krijgt, en een wijkraad kan goed onderhoud aan de huizen vragen. "Als je voor de gemeenschap praat, moet je een wijkraad hebben," vindt hij.
Maar zoals de eerste generatie het deed, kunnen de andere generaties het niet nadoen. "De situatie in Capelle is zo, dat de eerste generatie bijna op is. Ze zijn bijna allemaal weg, Van de mannen van mijn leeftijd zijn er niet zo veel meer. Misschien nog zes.... nee, vier, denk ik. Of toch, zes. Mensen boven de tachtig. Die hebben geduld. Jongeren niet. De oudjes hebben tijd. Ik zei altijd, wij blijven tot de verbanning komt. Maar jongeren moeten de belangen van de gemeenschap zien.

Terug gaan
Zijn huis op Saparoea wacht op hem. Hij gaat graag naar huis: "De eerste keer was in 1982, de tweede keer in 1990, de derde keer in 1995. En daarna ging het niet omdat er een moslim-christen ruzie was. Toen ben in in 2013 gegaan voor lange tijd, en daarna nog een keer. Wanneer ik weer ga, weet ik niet. Ik moet aan mijn gezondheid denken. Want ja, ik ga een beetje achteruit. Zoals vroeger ben ik niet meer. Een lange reis, daar moet ik over nadenken. Ik was van plan om voorgoed terug te gaan want daar is het huis van mezelf. Niet van de regering zoals hier in Holland. Het weer is beter. Maar ik dacht, als ik alleen terugga, als ik ziek ben, wie zal er dan voor mij zorgen? Het is niet zoals hier in Nederland, hier is de verzorging goed. En in de Molukken vertrouw ik die dokter niet."
"De kinderen en kleinkinderen zijn hier. Dat is moeilijk. Ze kunnen niet mee. Wat moeten ze daar doen? Daar is geen werk."
"Dus blijf ik hier, denk ik." Weer zegt hij: "Het is moeilijk." En hij zucht even, nauwelijks merkbaar, maar toch, het is er.