Het loempiasucces van Oma Au

terug naar de pagina "Artikelen" De loempiasuccessen van Oma Au

In november is ze weer terug op de Molukken, op het eiland Haruku, in haar geboortedorp Hulaliu. Daar gaat oma Au kijken hoe de renovatie van 'haar' kerk vordert. Deze kleine vrouw van 84 jaar is de grootste sponsor. In haar eentje bracht ze duizenden en duizenden euro's bij elkaar zodat er in Hulaliu gebouwd kon worden. Hoe? Door loempia's te bakken en te verkopen. Onderschat dat niet. De kerk stuurde een bedankbrief voor de ontvangen tweeëntwintigduizend euro's. Dat zijn heel wat loempia's geweest en er komen er nog meer aan. Oma: “Als de kerk mij nodig heeft, zal ik helpen”. Een ander deel van de loempia-opbrengsten gaat naar het oude familiehuis, waar ze op 19 augustus 1928 werd geboren. Dat huis laat ze ook opknappen. Oma Au gelooft in familie, in mensen die voor elkaar zorgen en vooral in die Ene. “Zonder God kan ik niet leven zoals ik nu doe,” weet ze.

Officieel heet tante Au Augustina Noija-Laisina, al noemen de meesten haar tante of oma. Noija, dat is de achternaam van Petu, haar in 2003 overleden echtgenoot. Zeven kinderen hadden ze samen, een is er niet meer. Kleinkinderen, achterkleinkinderen, de familie groeit en groeit, tot tevredenheid van oma Au. Ze draagt altijd kain kebaja, dat hoort nu eenmaal bij haar. Oma Au is vriendelijk, maar op een strenge liefdevolle manier. Voor flauwe praatjes heeft ze geen tijd. Elke dag telt slechts 24 uur en die zijn snel om als je het druk hebt, en dat heeft ze. De zorg voor haar grote familie natuurlijk (er is altijd wel een kind of kleinkind dat raad nodig heeft), en daarbij heeft ze haar werk van bakken, koken, wokken. Haar keuken staat tjokvol grote pannen. Ze verkoopt traditionele snacks en hapjes, en kondigt sommige acties aan op haar eigen Facebookpagina. Oma Au is ouderwets en modern tegelijk. Ze vertelt een anekdote: “Ik stond in Albert Heijn en de kerk van Hulaliu belt me op mijn gsm, ze hadden geld nodig. Dus ik zeg, ja, ik help.” Dat komt steeds terug: kerk en helpen. Een zoon die op vrijdagavond belde en vroeg of ze op zondag voor de kerk loempia's wilde verkopen. “Ik zeg, nou, ik zal kijken. Dus op zaterdag maak ik 600 loempia's, op zondag neem ik een grote wadjang mee en ik bak ter plekke de loempia's, voor één euro per stuk. De mensen aten warm. Binnen anderhalf uur was alles verkocht.” Oma Au lacht even bij de herinnering aan de zoon die zo kort van te voren belde. Maar daarna kijkt ze ernstig en zegt met nadruk: “Als de kracht niet van God zou komen, dan kon ik dat niet doen. Echt waar. Aan God vraag ik om kracht, gezondheid en om zegen, omdat ik dit wil doen voor de kerk of voor de mensen in mijn dorp.”

Meel

Net als veel andere Molukkers kwam het echtpaar Noija in 1951 naar Nederland. Het zou een tijdelijk verblijf zijn van zes maanden, had de regering beloofd. Petu Noija was bij het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indische Leger), dus als militair gehoorzaamde hij. En waar Petu ging, daar ging zijn vrouw. Dat was al zo geweest sinds hun huwelijk in '47. Petu Noija werd steeds overgeplaatst en zij volgde hem. Dat was niet altijd gemakkelijk, vertelt ze, want in 1947.... “Mijn man zit dan in de oorlog. Ik moet hem nareizen van Padang naar Makassar, op een boot, een kleine boot was dat, propvol vrouwen van militairen.” De golven worden hoger en de vrouwen zijn bang. “Maar het moet toch?” zegt oma Au. “Wij van de Molukken, als er iets gebeurt, dan gaan wij bidden. Niet mopperen. Alleen bidden, hardop, iedereen. Wat wij voelen, dat zeggen wij aan God.” Dat iedereen behouden bleef, spreekt voor haar vanzelf. Zo heeft ze meer verhalen.
Bij haar aankomst in Zeeland is oma Au een jonge vrouw van 23 jaar met twee kinderen. De KNIL-mannen worden ontslagen. Ze mogen werken, maar moeten van hun loon zestig procent afdragen aan de regering. Petu vindt werk als kraandrijver-machinist, maar nadat hij een Nederlandse jongen heeft ingewerkt, wordt hij ontslagen. Daarna komt hij bij een boer op het land, maar zijn loon is laag. Twee keer per jaar krijgen ze van de regering kledingbonnen: voor de winter, voor de zomer. Het is te weinig voor een groeiend gezin. Aan eten komen ze ook tekort. “Van de mensen kregen wij oud brood, maar dat konden de kinderen niet eten. Dus ik zeg tegen mijn oudste zoon, ga naar de winkel en vraag om een kilo meel. Mama zal morgen betalen.” Van het meel bakt ze een brood, dat ze aan de buurvrouw verkoopt. Dan kan ze haar schuld aflossen, goed brood kopen en nieuw meel. Het gaat langzaam. De taal leert ze zichzelf, net als Petu, die met een woordenboek naar de ouderavonden op school gaat. Petu voelt zich verraden door Nederland, het land dat hij zo trouw diende. Hij heeft heimwee naar de Molukken, zijn hart doet pijn. Oma Au: “Als ik denk aan ons leven in Zeeland, voel ik de tranen.” Na Zeeland komt het gezin in Vaassen, bij Deventer. Hier gaat het langzaam beter. Tot op de dag van vandaag is de familieband hecht. Na de kerkdienst verzamelt iedereen zich bij oma. Eten en praten, over het leven, en over de dienst.

Heimwee

Na dertig lange Nederlandse jaren, gaat het gezin in 1978 voor de eerste keer terug naar de Molukken. Veel staat er nog, maar veel is ook achteruit gegaan. Eigenlijk wil oma Au blijven, maar haar man zegt: “Doe jij dat maar. De kinderen zijn in Nederland, die moeten naar school en werk vinden”. Dat werd het keerpunt. Ondanks zijn heimwee en de pijn die hartklachten zou veroorzaken, wees Petu de weg aan. Sindsdien zijn ze bijna elke twee jaar teruggegaan naar Hulaliu. De laatste jaren ging oma Au alleen. Dat wil zeggen, in het gezelschap van steeds andere kinderen en kleinkinderen, aan wie ze de familieverhalen vertelt. Het familiehuis laat ze opknappen.

Rusten

De kinderen zijn volwassen, ze zijn allemaal goed terecht gekomen. Oma Au heeft haar kleindochter Marleen geleerd hoe ze moet koken en dat gaat goed: Marleen heeft dankzij haar grootmoeder het cateringbedrijf “Maë Pamana” opgericht. De familierecepten zijn dus in veilige handen. Daarmee is een nieuwe fase in haar leven aangebroken.
Maar is ze niet moe? “Soms. Dan ga ik naar bed maar dan om drie uur, half vier, slaap ik niet meer. Dan zit ik op bed en lees de bijbel. As ik wil bidden, stel ik aan God mijn vraag en dan druk ik op de bijbel voordat ik hem opensla. Want dan weet ik zeker, dit is het antwoord van God.” Gaat ze dan overdag rusten? Geen sprake van. “Ik zeg tegen mijn kinderen en kleinkinderen, nu leef ik eerst voor God. Voor Gods werk en pas daarna voor ons. Voor deze kerk hier in de Seringenhof maakte ik loempia's. Drie zaterdagen, en voor de kerk had ik achtduizend euro. Daarna ben ik thuis en ik bid, ik vraag: 'God, geef mij kracht en gezondheid, ik wil geld zoeken voor mijn kerk in mijn dorp.' Ja, en dan ga ik loempia's maken.” En oma Au kijkt of het allemaal vanzelf spreekt.