Met heilige geestdrift begonnen

terug naar de pagina "Artikelen" mariaviola

Maria Viola was een bekeerlinge. Nooit hoorde ze er echt bij, hoe hard ze ook werkte voor de katholieke kunst en literatuur. En hard werken, dat kòn ze. Gedichten schrijven, tijdschriften oprichten en leiden, publiceren over kunst en literatuur, voor deze vrouw telde een dag altijd te weinig uren. Tot op hoge leeftijd bleef ze nieuwsgierig naar het leven om haar heen. Maar was dat alles uiteindelijk genoeg?

Ze was een jonge vrouw van 25 jaar, half Italiaans via haar vader, toen ze het rooms-katholieke geloof omhelsde. Wat er precies de aanleiding toe was, is helaas onbekend. Wel weten we dat dit het begin was van een ongekend bloeiende periode. Ze had toen al de Academie voor Beeldende Kunsten (Rotterdam) gevolgd, afdeling schilderkunst. Het is waarschijnlijk, dat juist de schoonheid van de roomse kunst haar heeft geraakt en veroverd, want juist deze weg zou ze blijven volgen.
In 1900 zette Maria Viola een gewaagde stap. Ze richtte Van onzen Tijd op, met Albertine Smulders, Albert van der Kallen en Theo Molkenboer. Een kwartet ervaren auteurs, die daarbij idealist waren. Ze koesterden grote plannen waar het de katholieke letteren betrof. In het eerste nummer al werd groots ingezet, zette de kersverse redactie uiteen. Talloze grote namen hadden zich bereid verklaard aan het nieuwe tijdschrift mee te werken om zo schoonheid, godsvrucht en de moderne tijd op papier te verenigen. Men was zelfbewust, al neigde het naar zelfvoldaan. Want dat Van onzen tijd het katholieke tijdschrift Het Dompertje had verdrongen, leek Maria Viola nauwelijks te deren. De idealen waren groots en die leken dat te rechtvaardigen. In het eerste nummer stond de bedoeling in hoogdravende woorden vervat, men wilde: "niets anders zijn dan de pieuze voortzetting van wat in verleden tijden met heilige geestdrift werd begonnen en menigmaal ook opgevoerd tot respectabele hoogte." Werken in de roomse traditie, maar dan door een nieuwe generatie. Het was in dit blad, dat ze schrijfsters als Marie Koenen en Marie Gijsen een podium gaf, om ze zo voor een groot publiek ontdekt te laten worden. Maar het was ook dit blad, dat zorgde voor een ongekende rel in katholiek Nederland.

Boekepoppen
Het begon zo onschuldig, met een aflevering in de rubriek Litteraire Kroniek over Herman Robbers in het voorjaar van 1901. Daarin kwam Maria Viola vooral op dreef, toen ze haar blik richtte op een dermate "respectabele hoogte" dat ze de aarde beleefdheid uit het oog verloor. In een verlangen naar de allermooiste kunst, veegde ze de bestaande literatoren op dezelfe afvalhoop. Auteurs als Jan van der Lans en Mathilde (ps. Melati van Java) hadden slechts "stichtende volksverhalen" geschreven, en ze behoorden tot een "nu voorbijgegane schrijversgeneratie", die trouwens weinig meer had gebracht dan "zeurig- en zoetjes-bewegende boekepoppen" en dat ook niet konden, omdat ze "levens-schuwe literatoren" waren.
Dat viel verkeerd bij Mathilde. Want ten eerste: zij had meer geschreven dan Maria Viola, ten tweede, als vaste medewerkster aan Het dompertje voelde ze zich verdrongen door de ambiteuze Viola en ten derde: Van onzen Tijd werd uitgegeven door de Katholieke Illustratie waar ze al jaren voor schreef. Mathilde trok haar conclusies. Ze stuurde Van der Lans een scherpe brief waarin ze hem vroeg hetzelfde te doen wat zij deed. Wat dat was, stond al snel in alle katholieke media te lezen. De Tijd publiceerde op 4 juni het volgende bericht:

"Naar wij vernemen, heeft mej. Marie Sloot (Mathilde, Melati van Java) haar medewerking, die zij gedurende ruim 28 jaar onafgebroken verleende aan de Katholieke Illustratie, opgezegd naar aanleiding van de Literaire Kroniek, door Maria Viola in No. VIII van het tijdschrift 'Voor onzen Tijd' [sic], uitgave der Maatschappij de Katholieke Illustratie."

Het leidde tot een onverkwikkelijke ruzie waarin iedereen evenveel won als verloor. Zowel de naam van Viola als van Marie Sloot werden geschaad. Beiden gingen voort op de ingeslagen weg. Publiceren, zo goed mogelijk in de openbaarheid treden en blijven geloven in het ideaal van de katholieke kunst. Maar geen van beiden zal deze openbare aanvaring ooit vergeten zijn, ijdel, gevoelig en ambitieus als zij immers waren.

Thijm
Het katholieke literaire circuit in deze tijd was beperkt, en zeker de artistiek begaafde vrouwen kwamen elkaar steeds tegen. Men was bestuurslid van liefdadigheidsverenigingen of nam deel aan het verenigingsleven in de kunstkring De Violier. Het was een kleine coterie, waarin vetes snel ontstonden en langzaam of nooit vergeten werden. Marie Sloot schreef nog jaren later over "die kwaaje meid", waarmee ze Maria Viola bedoelde. Viola was intussen getrouwd met de schrijver C.R. de Klerk, die tot dezelfde kringen behoorde.
In 1909 nam ze een gouden besluit. Ze publiceerde J. A. Alberdingk Thijm. Een bloemlezing uit zijn verhalend proza. Het was een huldebetoon aan de grote Nederlandse schrijver (1820-1889), de beroemdste katholiek van de vorige generatie. Dáár kon niemand over vallen, wist ze De krant Het Centrum schreef op 8 september van dat jaar prijzend: "Dit met zoo groote zorgvuldigheid en smaak bewerkte boekje, met de inleiding, waar Thijm in weinige bladzijden zoo fijn en scherp wordt geteekend, is waard in ruimen en zeer ruimen kring bekend te worden; het is lectuur, die iedereen zal boeien." De lof zal haar genoegen hebben gedaan, om meer dan één reden.

Kunstzinnigheid
Een lang en werkzaam leven leidde Maria Viola, binnen en buiten haar huwelijk. Velen beschouwden haar als een leidende figuur, een lichtend voorbeeld als het erom ging de katholieke kunstzinnigheid in de nieuwe eeuw een groots elan te geven. Zij werd door velen geacht. Maar bij alle lofprijzingen die haar bij haar dood toevielen, klonk toch weer dat ene hatelijke woord: "bekeerlinge". Het was net, of men haar daarmee een plaats aanwees. Iemand die véél voor ons katholieken had gedaan, dat zeker, maar die nooit wezenlijk deel had uitgemaakt van dit "ons". En dat had zij niet verdiend, niet gewild en zeker niet kunnen voorzien.