Student en dood

terug naar de pagina "Artikelen"

Op 21 juni 2001 verscheen in het Leidse Universiteitsblad Mare een ingekore versie van het artikel 'Student en dood'.
Hieronder de volledige versie.

Waar is de dood? Ver weg van het dagelijks leven. In de collegebanken zit niemand meer met rouwkleren aan en het romantische rendez-vous vindt nooit meer plaats op een oud kerkhof. 'Voorbij, voorbij, o al voorbij', zong de dichter weemoedig. Nu is de dood vooral een handige manier om geld te verdienen. Lijken wassen en doodskisten dragen, dat verdient lekker.

"Een doodskist draag je op je linkerschouder. Je voelt de rand, de onderkant op je schouder rusten. Je handen hou je voor je, gekruist. Andere dragers houden met hun handen de kist vast, maar wij doen dat niet. Het is gewoon strakker zonder. Als je je handen aan de kist houdt, zie je meteen allerlei ellebogen naar buiten steken. Dat ziet er gewoon niet uit." Aan het woord is Henri Douze Jager (21), Quint, derdejaars fiscaal recht en beller. Is er een dode in Leiden en omstreken, dan krijgt hij bericht van de uitvaartondernemingen Soek of 't Leidse Huys dat hij de dragers bij elkaar moet bellen. Zes jongens heeft hij nodig, fris gewassen en goed geschoren, die wat lengte betreft bij elkaar passen. Dat staat mooi en zo kan het gewicht van de kist met inhoud goed verdeeld worden. De twee kleinste dragers dragen de kop van de kist, de langsten de staart en de twee met een tussenlengte dragen het middengedeelte van de kist.
De dragers zijn voornamelijk afkomstig uit het Leids Studenten Dragers Gilde, dat op Quintus ontstaan is. Iedere drager bezit een zwarte jas, een hoge hoed, te dragen als het een begrafenis via 't Leidse Huys gaat en een gleufhoed ten dienste van de Soek-uitvaarten. Zwarte broek, schoenen en sokken in combinatie met het witte overhemd complementeren het theatrale kostuum van de drager. De zwarte handschoenen die iedere drager nodig heeft, komen van de firma Hoppezak.

"Het is een serieus bijbaantje," legt Douze uit. "We vragen alleen jongens waarvan we denken dat ze de discipline kunnen opbrengen ook klaar te staan na een borrel die tot acht uur de volgende ochtend is doorgegaan. Shoarma met veel knoflooksaus eten kan eigenlijk ook niet, want dan stink je de begrafenis lang genadeloos vies. Als het druk is, zijn er vijf, zes begrafenissen op een dag waarvoor ik dragers moet regelen. Dan zit ik met het nodige zweet te bellen. Lukt het niet om genoeg dragers bij elkaar te halen, dan ga ik even naar Quintus. Daar loopt altijd wel iemand rond die ik kan strikken.Want er moeten gewoon dragers zijn, waar ze ook vandaan komen. Als beller ben je daarvoor verantwoordelijk; je kunt het niet maken laks te reageren. Dan vlieg je er zo uit." Douze beantwoordt keurig aan het profiel van de ideale drager: gevoel voor verantwoordelijkheid, een beschaafd uiterlijk en talent voor discretie. Want wat een gemiddelde begrafenis verdient, wil hij niet kwijt. "Laten we zeggen dat we zo ongeveer het driedubbele verdienen van wat normaal is."

Van dergelijke geheimzinnigheid wil voormalig Quint en bedrijfsleider Robert Heezen van 't Leidse Huys niets weten. Zijn uitvaartbedrijf betaalt iedere drager het basistarief van 45 gulden en verschillende toeslagen als de begrafenis langer duurt, er extra reistijd is of voor aanvullende diensten, zoals het aanwezig zijn tijdens de kerkdienst. Gemiddeld duurt een begrafenis voor een drager anderhalf uur en levert aan iedere drager zo'n zestig gulden op, rekent Heezen snel voor. Gemakkelijk verdiend. Maar geldwolven zijn niet welkom: "Een drager moet een gezond empathisch vermogen bezitten en zich kunnen verplaatsen in de nabestaanden." Dat roept beelden op van een select gezelschap bleke jongens die denkend aan de dood niet kunnen slapen en elkaar besmetten met Weltschmerz. Niets van dat al. Het Quintse Leids Studenten Dragers Gilde is een vrolijke herensociëteit waar de dood vervlakt is tot een bijbaantje. 't Had zoveel mooier kunnen zijn.

Doodgaan en begraven biedt de moderne student allerlei mogelijkheden voor melancholie en levensernst. Het ritueel van het kistendragen alleen al leent zich er uitstekend voor. De zes dragers groeten in een danse macabre met dezelfde plechtige buiging de kist, nemen hem dan volmaakt synchroon na een zacht commando van de voorganger - "heren, inschouderen!"- op de schouders en dragen de kist lopend vooraan de rouwstoet, steeds in dezelfde gematigde tred. Zo gaat men op weg naar de kerk of het hof, de gezichten in gepaste plooi. Maar Henri Douze Jager meldt: "Bij ons wordt achter de schermen veel gelachen. We zijn een gezellige club. Ons Leids Studenten Dragers Gilde heeft pas zelfs een groot vaandel laten maken. Het is jammer genoeg nogal duur uitgevallen; uiteindelijk heeft het ons 700 gulden gekost. We hebben er een grote kast voor laten maken die op Quintus staat. Als we een borrel geven, dat is zeg maar ons personeelsuitje waar ook mensen van de uitvaartonderneming voor uitgenodigd zijn, dan halen we het vaandel uit de kast en hangen het op in de zaal. Soms lopen we ermee rond. Als een drager een afstudeerborrel geeft, gaan we er heen met het vaandel en dan zingen we ons lied." En wat ons lied is? Iets plechtigs is het bepaald niet. Het kerkelijk gezang 'Niemand leeft voor zichzelf' fungeert als gezellige meezinger, opgepikt uit de vele katholieke missen die de jongens in hun functie als drager moeten bijwonen. Sfeerhogend is het zeker, met regels als: 'Niemand leeft voor zichzelf/ Niemand sterft voor zichzelf/ wij leven en sterven voor God onze Heer'. Vrolijkheid alom bij het Gilde en niemand gedenkt er nog te sterven.

"Als je voor de vijfde keer op een dag een doodskist draagt, wordt dat natuurlijk routine", zegt Robert Heezen."Dan is het gewoon een klus geworden en niet meer het eind van een mensengeschiedenis. Gelukkig werken bij ons alleen studenten die redelijk hun kop erbij kunnen houden en die een goed ontwikkeld inlevingsvermogen bezit. Hoe dat komt? Ik hoop door hun innerlijke beschaving, al houdt die wat mij betreft maar een half uur lang stand."
't Leidsche Huys was het eerste uitvaartbedrijf dat rond 1995 Quinten als dragers begon in te huren. Later volgde Soek. Tot die tijd werd een doodskist meestal gedragen door een zestal gepensioneerde heren die zo hun sigarengeld verdienden. Onder de heren bevonden zich ook loslopende lieden waarvan het Huys vooral hoopte dat ze zich in een zwarte jas betamelijk zouden gedragen. Dat was niet altijd het geval en losbandigheid is pijnlijk bij een begrafenis. Heezen: "Toen ik pas in het vak zat, was ik ernstig geshockeerd door de botheid en de grofheid in dit wereldje. Er wordt weinig verdiend en spijkerhard gewerkt, er is een grote belasting in emotie en tijdsdruk is er altijd. Je moet immers snel kunnen leveren, ook in het weekend." Daarbij kwam, dat de gemiddelde leeftijd van de drager rond de 72 jaar lag en dat bracht weer andere risico's mee. Een doodskist moet immers ongeschonden op de plaats van bestemming arriveren, zonder dat er een drager onderweg door de zwaarte van de kist, de emotie of zijn gevorderde leeftijd aan een hartaanval bezwijkt.

Studenten inschakelen leek de oplossing: jongens met gevoel voor discipline die graag een lucratieve bijbaan hadden. Robert Heezen: "Het inschakelen van studenten is gegaan via de weg van de geleidelijkheid. Eerste hadden we wat parttime chauffeurs van onze toeleveringsbedrijven voor rouw- en volgautos. Toen kwamen er wat in de logistiek werken; dat is de ondersteuning voor begrafenisonderneming wat het verzorgen van overledenen betreft. En nu hebben we dan ook studenten die dragers zijn. Alleen jongens. Dat heeft met fysieke aspecten van de overleden persoon te maken. Iemand die dood kan, kan best 100 kilo wegen. Dat lichaam ligt op een brancard of een verzorgingstafel. Een verzorger wast de overledene en trekt hem of haar kleren aan. Dat is zwaar werk. Als je iemand een broek wilt aantrekken, moet je dat lichaam optillen, draaien, opnemen. Of stel dat de overledene in een portiekwoning op de derde etage woont. Je gaat er heen met een brancard waarop je dat lichaam uit huis haalt. Zelf al ben je met z'n tweeën, dan eist dat veel kracht om voor elkaar te krijgen."

Over de verzorging van overledenen zou Erik Jansen kunnen meepraten. Voordat hij drager werd, was hij een aantal maanden verzorger. Dat de dood op het menselijk lichaam prozaïsche effecten heeft, moet hij weten. Als de dood intreedt, verslapt het spierweefsel. De sluitspieren laten los, dus alle ontlasting en urine die nog in het lichaam is, stromen vrijelijk naar buiten. Wassen is dan ook de eerste taak van de verzorger. Toch praat Erik afstandelijk over zijn werk: "Meestal wil de familie van de overledene er niet bij zijn. Maar soms helpen ze mee. Dat is geen probleem, wij zijn er immers om hen te helpen. En ze zijn blij met je werk als ze zien dat de overledene goed verzorgd wordt. Met het verzorgen ben ik gestopt, hoor." En dan opgewekt: "Als drager heb je gemakkelijker diensten en je bent overdag snel klaar."

Maar het tij lijkt te keren. Een nieuwe bewustwording van sterven en dood wordt door bedrijven gepropagandeerd. Publiekstijdschriften en e-zines wijden sensationele themanummers aan de dood en bij uitvaartwinkels kan iedereen alvast een leuke urn of milieuvriendelijke kartonnen kist bestellen, geheel volgens allerindividueelste gevoelens door kunstenaars of enthousiaste hobbyisten ontworpen.
Deze ontwikkeling is ook te danken aan de afgelopen generaties Aids-doden, jonge mensen die door een virus kwetsbaar en sterfelijk bleken te zijn. In Leiden was er de begrafenis van de 'Roze Jonker', befaamd Minervaan, die aan Aids overleed. Studenten van nu moeten, of ze willen of niet, nadenken over de naderende dood. Want hoe moet dat, sterven en doodgaan? Hoe maak je een keuze uit de uitvaartwinkel, wat vul je in op het Speciale Wensen Formulier van de Dela en consorten en welke dichtregels komen er in de krantenadvertentie? Nu de kerken leeglopen, is aan dat loket geen kant en klaar ritueel meer te verkrijgen. Daar ziet de commercie brood in. Iedere levende is immers een potentiële dode, dus een klant die geld uit zal geven. Een c.v.-bouwer die aan de toekomst denkt, moet dus denken aan de dood. Een beetje begrafenis heeft een stoet, koetsen en een topartiest die komt zingen. Denk aan Manfred Langer!
De traditionele vormen van de dood hebben het nakijken. Weg romantiek, welkom modern en trendy begraven. Dat kan zelfs al een beetje bij het vanouds traditionele 't Leidsche Huys. Heezen vult ontspannen aan: "Wij hebben ook allerlei mogelijkheden. Als iemand iets anders wil, dan komt het aan op de spanbreedte en creativiteit van mijnheer of mevrouw Kraai om hen daarin bij te staan. Mijn heilige principe is en blijft: we zijn waar we nodig zijn, en niet waar we niet nodig zijn. Want het is niet ons feestje, maar dat van de nabestaanden. Nee, niet van de overledenen. Iedereen in Nederland mag ons opdracht geven om van iemand de begrafenis te regelen. Daar zijn geen wettelijke regelingen voor. Als jij het leuk vindt de begrafenis van je buurman te regelen, dan voeren we die opdracht uit."

Dromen zijn het vooralsnog, dromen van een leven dat werkelijk plaats biedt aan een mooie dood. Geen van de mannen uit de wereld van de dood heeft zijn eigen begrafenis al heeft geregeld. Henri Jager Douze, die iedere week wel een kist op zijn schouders voelt drukken, denkt er niet over na. Hij heeft slechts vage beelden voor ogen waarin koetsen door de straten ratelen en vermoedt dat het wat de muziek betreft zal neerkomen op de traditionele orgelmuziek. Heezen wil graag naar het Haagse Oud Eik en Duinen maar heeft evenwel nog geen graf gereserveerd. "Voor mij is het essentieel vandaag te leven in de momenten van vandaag, in het nu."
En Erik Jansen? Ook niets geregeld. "Ach, ik ga voorlopig helemaal niet dood, daar ben ik niet mee bezig. Maar als het dan toch gebeurt, dan wil ik door de jongens van het Gilde gedragen worden."