“Alles heeft zin in het leven, alles”

terug naar de pagina "Artikelen" “Alles heeft zin in het leven, alles”

Aimée zit op een stoel in haar atelier en kijkt naar haar werk. Het staat overal in het aelier. Tegen de muren staan de lijsten, honderden lijkt het, en er is nog veel meer. Een groot oeuvre. Ze werkt al, hoelang? "Ik was zes, zeven jaar toen ik aan de voeten van mijn moeder zat en op karton tekende." Dat is dus meer dan zeventig jaar, want binnenkort wordt Aimée 80 jaar. Ter ere daarvan verscheen een boek Aimée. Kunst uit Liefde (Artbooks) in een limited edition van 300 stuks en is er in de Haagse Kunstkring een grote tentoonstelling van haar werk. Of nou ja, van een déél ervan. "Ik kies het mooiste dat ik heb gemaakt", zegt ze, terwijl haar blik over de stapels lijsten glijdt, "want het is ook een beetje een afscheid. Straks ben ik weg." Een gesprek met een bijzondere vrouw.

“Alles heeft zin in het leven, alles”

Een week voor de tentoonstelling is er nog veel te doen. De laatste werken kiezen en laten inlijsten, steeds de telefoon opnemen die blíjft gaan, de ruimte van de Kunstkring inrichten. Aimée Crince le Roy blijft er opgewekt onder, en vooral beheerst. "Iedereen zegt wel zo gemakkelijk dat het in orde komt, maar ik weet hoe veel er nog gedaan moet worden," zegt ze en dan somt ze een lange lijst op. In haar lange kunstenaarsleven is dit niet de eerste tentoonstelling, ze heeft er veel gehad, maar het is wel een belangrijke. Daarom moet het goed zijn. En mooi, vooral, móói, zoals ze ook zelf elke dag is, een verschijning die een vreugde voor het oog is. Er zijn meer soorten schoonheid dan die van een twintigjarige. Wanneer ze haar handen toont en de vingers daarvan spreidt, is dat meteen duidelijk. De gewrichten duwen de vingerkootjes ongewone richtingen op, de vingers zijn de ruimte in gegroeid. Impressie van een hand. De beweeglijkheid heeft ze opgeofferd aan de kunst, legt ze uit, en dan neemt ze de toestand van haar lichaam even door. "Ik ben gezond hoor, maar mijn botten deugen niet. Ik heb artrose, osteoporose en reuma, daarvoor heb ik ontstekingsremmers en pijnstillers. Door het intensieve houtsnijden heb ik ook mijn schouders versleten. En alles gaat achteruit, snel. Straks kan ik misschien niet meer lopen. Elke dag slik ik een kleine tas medicijnen. Die zullen wel bijwerkingen hebben, maar blijkbaar heb ik een sterk lichaam." Wat dat betekent, "sterk", zegt ze er niet bij. Het is een mengeling van protheses ("Drie stuks, knieën en heup"), medicijnen en steeds iets nieuws vinden om naar toe te leven. "Ik ga etsen laten zien, en schilderijen, tekeningen en computertekeningen, kappazuri, en krabbels, bij elkaar tweehonderd, tweehonderdvijftig stuks," stelt ze vast. Twee zalen vol. Ze had er best tien kunnen vullen.
Het zijn veel genres, en dan de aantallen werk nog. Een grote productie, zeker in combinatie met de banen die ze had als docent tekenen, ook aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Aan samenwonen begint ze niet ("De vrijheid die ik nu heb..."), kinderen wilde ze niet al waren en zijn er wel liefdes, van het hart en voor het lichaam. Ook dat komt in haar houtsneden terug: "Waarom niet? Het lichaam van de mens vind ik mooi. Ik kan door de kleren zien hoe ze van binnen zijn."

Suikerfabriek

Hoe ze zelf is, weet ze precies: "Ik ben een hutspot van Frans, Belgisch, Sumatraans, Javaans, Hollands en een beetje Japans bloed." Ze is geboren in het oude Indië, in het toenmalige Batavia. "In de Lombokwijk. Toen ik twee jaar oud was, zijn we naar Soerabaja verhuisd, eerst naar de Speelmanstraat en toen twee keer in de Bothstraat, van het ene huis naar het andere. We zaten in een verdiepingenhuis in de wijk. Daar ben ik opgegroeid." Het zijn de jaren voor de oorlog, die voor Indië begint als de Japanners in 1942 binnenvallen. "Ik wist dat het oorlog was doordat mijn vader geïnterneerd werd. Ik herinner me dat de Japanners Soerabaja binnenreden. Opeens liepen er op straat groepjes soldaten. Mijn vader werd eerst in Soerabaja geïnterneerd, daarna moest hij naar Birma spoorweg, daar was het heel hard. Ik bleef bij mijn moeder en broer in Soerabaja. Mijn oudste broer was bij de ondergrondse en werd later opgepakt."
"We hadden geen geld. De scholen waren door de Japanners opgeheven. Mijn broer ging in de handel, gewoon, in allerlei artikelen. Dan kocht hij drie kapotte horloges en maakte er twee goede van en die verkocht hij. Hij gaf mij schildersgerei en zei dat ik schilderijen moest maken voor zijn handel. Zo gek was dat niet, want ik tekende altijd. Ik was zes, zeven jaar toen ik aan de voeten van mijn moeder zat en op karton schilderde. Zij schilderde ook, ik heb nog twee stukken van haar. Voor mijn broer maakte ik portretten van foto's van mannen die geïnterneerd waren. "
Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Daarmee was de oorlog niet voorbij; de Bersiap woedde. Voor Indonesische nationalisten een vrijheidsstrijd, voor de bevolkingsgroepen met een Nederlands paspoort een burgeroorlog. Velen werden ondergebracht in interneringskampen, waar de omstandigheden zeer verschillend waren. "Mijn twee broers waren afgevoerd naar Perak, de gevangenis aan de haven. Moeder en ik werden geïnterneerd. Ik was ongeveer vijftien jaar en vond het niet zo erg. We zijn naar station gebracht in geblindeerde treinen, onder bewaking We gingen naar een suikerfabriek van Djombeng en Soemobitoh, dus we zijn twee keer verkast. Nee, naar Soerabaja keerden we niet terug, daar was oorlog. Als we een vliegtuigje hoorden overkomen, dan zwaaiden we in de lucht. Dat hielp natuurlijk niets."
"Na zeven maanden internering werden we weer weggevoerd in geblindeerde treinen, deze keer naar Djocja. Vandaar hebben ze ons in vrachtwagens naar het vliegveld gebracht en daar zijn we met een Dakota naar Semarang gevlogen. Daar zag ik Hollanders met blauwe ogen. Er gebeurde niks, ik was een laatbloeier. We werden ontluisd, ontvlooid en kregen nieuwe kleren. Ik had twee broekjes en twee bloesjes en daar deed ik het mee, een in de was en ander aan. We ruilden wel kleren voor eten over het gedek. In Semarang heb ik nog een zware malaria-aanval gehad."
Geleidelijk kwamen de mensen terug uit de kampen. Aimée's vader keerde terug van de Birma Spoorweg. "Hij had mijnworm, dat is iets, ik weet het niet precies, een infectie of een bacterie, het gaat via de voet naar boven. Dat kon alleen in Holland behandeld worden. Dus toen zijn we naar Holland gegaan," vertelt ze. Dat was in 1946. Ze liet haar geboorteland achter dat ze nooit meer terug zou zien. En Henny Roda liet ze ook achter, een Indische jongen die op haar verliefd was. "Hij vroeg me teschrijven en dat heb ik gedaan."

Stewardess

Nederland betekende: Den Haag. En een overbruggings-HBS, om zo de gebroken middelbare schooltijd in te halen. De vraag wat er daarna kwam, hoefde Aimée niet zelf te beantwoorden: "Toen ik van een vakantie terugkwam, zeiden mijn ouders: 'we hebben je op de academie gedaan'. Ik zei: 'o'. Want ik wilde eigenlijk stewardess worden, maar ik dacht, tekenen is ook leuk. Destijds was ik een verlegen meisje, lief gehoorzaam. Dus ben ik naar de academie gegaan." Dat was de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten.
Ook Henny kwam naar Nederland. "Hij heeft hij ons meteen opgezocht, maar het was voor hem te moeilijk. Wij kinderen waren alle drie in opleiding en hij had zoiets niet. Toen is hij met een Marva getrouwd en is naar Australië vertrokken." Aimée bleef achter met de kunst.
Na de Academie kwamen er andere opleidingen, in Parijs en Griekenland, er kwamen tentoonstellingen, opdrachten, nieuwe liefdes, het leven was vol. "Ik schilderde, exposeerde en ik nam les. En ik had een vriend, maar die ging naar Amerika. Ik was toen 28 jaar en ik dacht: 'ik heb geen man en geen kind'. Dat ik overwerkt was, zag ik toen niet. De stoppen sloegen door. Ik heb mijn kamer kort en klein geslagen en ze hebben me op een brancard vastgebonden en naar een inrichting gebracht. Dat ik via de trap naar beneden ging, herinner ik me nog. Zo kwam in een kliniek terecht."
De diagnose klonk hard: manisch-depressief. Bij de behandeling hoorden twintig elektroshocks. Aimée vertelt: "Dat deed geen pijn. Je wordt weggemaakt. Na zo'n schok ben je kalmer, rustig. De shock is om de stemmen stil te maken. Die zaten in mijn hoofd toen ik manisch was. Het enige dat ik eraan heb overgehouden is een trauma voor knoflooklucht. De arts zei als hij me ging verdoven: 'Als je diep inademt, ruik je rauwe knoflooklucht' en dan haalde ik diep adem en was weg."
Ook in de inrichting tekende Aimée. Patiënten, gezichten. "Ik heb die schriftjes nog." Het verblijf duurde acht maanden. Een lange tijd, die sporen naliet: "Erna was ik veel herinneringen kwijt. Ook technische kennis van etsen was weg."
De wereld ging weer open en daarin deed Aimée wat ze altijd deed: tekenen, schilderen en nu ook lesgeven. "Ik wist dat ik moest werken, in de maatschappij zijn, dan hoef ik nooit meer terug naar de kliniek. Ik heb onder andere in Rotterdam tekenles gegeven. Iedereen kan leren tekenen, als de leiding goed is. En je moet enthousiast blijven. Soms liep ik uit de klas weg, als ze te druk waren, of niet wilden werken. Dan werd het me te veel. Of ik gooide met iets. Later gaf ik les op een christelijke school waar ik met schoteltjes gooide. De week erna kwam een kind me een stapel schotels brengen,om mee te gooien. Toen heb ik het niet meer gedaan."

Muze

Lesgeven had ups and downs, de kunst leek alleen ups te bieden. De ene expositie volgde de andere op, binnen- en buitenland. In het boek Aimée. Kunst uit Liefde, over haar leven en vooral haar werk, dat deze week verschijnt, is een indrukwekkende lijst opgenomen. Daarin staat ook, dat ze in 2006 computertekeningen begon te maken. Hoe begint zoiets? "Na vijftig jaar kreeg ik weer contact met Henny, die in Australië zat. Hij zei dat ik een computer moest kopen. Mijn vriend Wim heeft me alles uitgelegd en zo is het verder gegaan. Henny stuurde me foto's van Australië die hij maakte, en ik gebruikte die om tekeningen van te maken. We mailden en later belde hij elke dag. Op de dag dat hij tachtig zou worden, is hij overleden."
Zo vertelt Aimée meer verhalen, over hoe het leven en de kunst in elkaar doorwerken. Over haar muze Wim, die zelf paper dolls maakt. Over reizen die ze organiseerde ("dus toen ben ik toch een beetje stewardess geweest") en waaruit schilderijen voortkwamen. Over Japans leren ("Zo ontstond bij mij kappazuri") en over het atelier dat ze na 38 jaar moet verlaten. Dan is ze er weg. Het atelier is verkocht en moet leeg opgeleverd worden. "Dat wordt een heel werk", zegt ze, "er is nog zo veel. Daarna ga ik thuis werken, computertekeningen maken."
"Maar alles heeft zin in het leven, alles. Dat moet je beseffen. Elke klus moet je proberen met liefde uit te voeren. Je moet ook doorzetten. En creatief zijn, andersis het leven zo vlak en saai."

Zie ook: http://www.haagsekunstkring.nl