Vilan van de Loo
Vilan van de Loo, creatieve teksten
boeken artikelen websites lezingen gesprekken
contact colofon FAQ media actueel

 

 

Indische Letteren
Tobben in Indië: wijze vriendinnen adviseren Hollandse vrouwen

Deze vijf fragmenten zijn afkomstig uit het gelijknamige artikel, verschenen in Indische Letteren, 1994/2, pag. 67-80. (omslagverhaal)
Het blad is een uitgave van de gelijknamige Werkgroep.

Inleiding
Het zal ongeveer vier jaar geleden zijn, dat ik voor het eerst gekweld werd door een sterk verlangen naar Indië te gaan. In die tijd ontdekte ik namelijk de Indisch-Nederlandse letterkunde waarin een fascinerende wereld van blank en bruin, adat en wetboek, oerwoud en plantage en van vrouwenbestaan en mannenleven op mij wachtte. Oud Indischgasten die ik sprak, wakkerden met hun meeslepende verhalen mijn verlangen en daarmee mijn wanhoop aan. Want hoe zou ik ooit naar Indië kunnen gaan? Dit waren de jaren negentig, waarin de tijd van temp doeloe echt voorbij was.
Het enige dat ik nog had was mijn fantasie, waarin ik, bij voorkeur als smachtend handschoentje, de lange bootreis kon maken. Uitgebreid fantaseerde ik over het droevige afscheid in de haven, de maanden durende zeereis en de aankomst in mijn nieuwe land. De literatuur en de verhalen gaven me hiervoor stof te over. Eenmaal gearriveerd in Indië, stuitte ik op lastige problemen. De hitte was bedwelmend, hoe kon ik die ooit verdragen en er appetijtelijk uit blijven zien? Dan het huishouden, wat moest dat worden met al die akelige berichten over bedienden? En was mijn man zo trouw geweest als hij me indertijd beloofd had? In zijn laatste brief schreef hij iets over twee kleine verrassingen die mijn moederlijke zorg hard nodig hadden.
Intussen had ik kennis gemaakt met het 'Indische dameshandboek'. Hierin beschreef een vrouw met tropenervaring problemen van de Hollandse vrouw in Indië en ze gaf oplossingen aan. Voor mij waren dergelijke wijze vriendinnen natuurlijk nuttig, maar voor vrouwen die werkelijk naar Indië vertrokken, waren ze misschien onmisbaar. Ik vond vijf handboeken die voor en door vrouwen geschreven waren: J.M.F. Catenius-van der Meijden: Ons huis in Indië (1908); J. Kloppenburg-Versteegh: Het leven van de Europeesche vrouw in Indië (1913); B. van Helsdingen-Schoevers: De Europeesche vrouw in Indië (1914); dr.C.J. Rutten-Pekelharing: Waaraan moet ik denken? Wat moet ik doen? Wenken aan het Hollandsche meisje dat als huisvrouw naar Indië gaat (1923) en ir. C. Swaan-Koopman: Vrouwen in Indië (1932).
Hoe verschillend deze boeken ook waren, toch hadden ze drie dingen gemeen. Ten eerste waren er aanwijzingen dat er een sterke samenhang bestond tussen de persoonlijkheid van de schrijfster en de inhoud van haar boek; iedere 'waarheid' leek te berusten op de persoonlijke ondervinding of de veronderstellingen van de auteur. Invloeden van de tijdsomstandigheden waren hierin onmiskenbaar aanwezig. Ten tweede bespraken alle auteurs in meer of mindere mate vijf grote probleemgebieden. Ten derde bleken ze zo hun eigen visie te hebben op de koloniale samenleving, de verschillende bevolkingsgroepen daarin en de soms broeierige verhouding tussen mannen en vrouwen. Voordat ik nader op deze drie elementen inga, wil ik eerst deze raadgeefsters voorstellen.

De schrijfsters

  Dit werk, dat ik aan de Dames in Indië opdraag, is bestemd voor zoowel de jeugdige Indische huismoeders, als voor de vele, jonge, gehuwde vrouwen, die, zóó uit Europa gekomen, zich vreemd zullen gevoelen in hare nieuwe omgeving. Men beschouwe het als een vraagbaak, een handboek, dat men zo nu en dan raadpleegt.

Met deze bemoedigende woorden van Koba Catenius-van der Meijden begint een handboek vol met adviezen en raadgevingen op allerlei gebied. Het was haar wel toevertrouwd om instructies te geven: in totaal zou ze tien titels laten verschijnen waarvan er acht inlichtingen gaven over het bereiden van voeding (zoals het beroemde Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek uit 1902) en twee informatie verschaften over de reis naar en het verblijf in Indië. (...)
Ook Jans Kloppenburg-Versteegh is beroemd, of beroemd geweest. Van haar hand is het legendarische Indische planten en haar geneeskracht, waarin de geneeskrachtige werking van Indische kruiden, wortels, bloemen en planten wordt uitgelegd. In 1913 heeft zij een exemplaar aan Koningin Wilhelmina mogen aanbieden. (...)
Beata van Helsdingen-Schoevers was pas 34 jaar toen ze in 1920 plotseling overleed. Ze heeft een kort maar enorm actief leiden gehad. Een kleine opsomming: ze was moeder, echtgenote van een carrière makende ambtenaar, auteur van verschillende publicaties, oprichtster van de kunstkring te Solo, voordrachtskunstenarres en wegbereidster van de moderne Indische vrouwenbeweging. (...)
De vierde schrijfster, Cato Rutten-Pekelharing, was een heel andere vrouw. Ze studeerde in haar geboorteplaats Leiden biologie en promoveerde later cum laude. Via haar echtgenoot kwam ze in Indië terecht; hij was werkzaam bij geologische ondernemingen. Het is onzeker of mevrouw Rutten haar studie heeft kunnen gebruiken voor eigen werk, wel weten we dat ze er met haar man en studenten biologie 's zomers vaak op uit trok om veldwerk te doen.
Tot slot Stannie Swaan-Koopman. Na haar studie aan de Technische Hoogeschool in Delft ging ze met haar man naar Indië, om met een christelijke motivatie het land en volk te dienen. Ze schreef talloze artikelen, nam deel aan het opkomende Indische christelijke verenigingsleven, kwam op voor uitgebuite batiksters, onderhield contacten met de Indonesische bevolking en voedde ook nog eens vier kinderen op.

In grote lijnen gaat het bij alle vijf schrijfsters om het zich kunnen aanpassen, de huishouding, de omgang met de bedienden, de kinderen en de eisen die aan de vrouw zelf gesteld worden.

Altijd actief, altijd aantrekkelijk
Geen enkel dameshandboek verstrekte hartelijke adviezen om als het allemaal wat te veel wordt, eens lekker uit te rusten. Opvallend is dan ook het inzicht van mevrouw Catenius, die vermoedt dat de vrouw die al haar raadgevingen nauwgezet opvolgde binnen de kortste keren 'zenuwlijderes' zou zijn.
Het vrouwelijk takenpakket is volgens alle handboeken omvangrijk. Wanneer in de loop der jaren het huishouden wat minder belangrijk wordt, komen zoals gezegd andere plichten naar voren. De ethische beweging vrowg bijvoorbeeld om vrouwelijke aandacht voor de bevolking. Mevrouw Rutten houdt het eenvoudig met haar lessen in naaien en kinderverzorging. Mevrouw Swaan neemt al wat meer hooi op haar vork door zich intensief met de ontwikkeling van Javaanse, adellijke dames te bemoeien en mevrouw Van Helsdingen spant met haar eisen en verwachtingen de kroon. In haar visie is de vrouw een toegewijde echtgenote en moeder en daarnaast vervult zij in Indië een belangrijke maatschappelijke taak die van even veel gewicht is als haar gezinsfuncties. Zo kan zij de ruwe taal van planters bijschaven, het zesderangsniveau van beeldende kunsten, muziek en bibliotheken verbeteren en vooral de oorspronkelijke bewoners helpen bij de "eerste wankele (...) schreden op den weg naar universeele ontwikkeling en cultuur."
Wat de vrouw ook doen moge, over één ding zijn vrijwel alle auteurs het eens: zij moet al doende goedgehumeurd en goedverzorgd zijn en elegant gekleed gaan. Al eerder zagen we het belang van 'fatsoenlijke' Europese kleding die belangrijker was dan de zoveel geriefelijker sarong en kabaja.
(...) Uiteraard heeft de natuurgeneeskundige Kloppenburg veel aandacht voor de lichamelijke aspecten: kamergymnastiek en kosmetische verzorging zullen de vrouw mooi en aantrekkelijk houden. De vrouw wrijft daartoe iedere morgen haar gezicht in met het zeepvruchtje lerak om rimpels te voorkomen, ze is matig met voeding omdat ze niet 'indolent en vadsig' wil worden en ze zal, om niet vroegtijdig oud te lijken door een onderkin of een kropgezwel, slechts op één kussen slapen. Voor kwalen en geneesmiddelen verwijst mevrouw herhaaldelijk naar haar kruidenboek, met name waar het gaat om het verkrijgen en behouden van een weelderige haartooi en het genezen van obstipatie (castorolie!). Hiermee vergeleken zijn de verzorgingsadviezen van mevrouw Catenius eenvoudig op te volgen. Zij citeert met kennelijke instemming Jacob Cats:

  Geen schoner blanket
dan gezond en vet.

Verhoudingen tussen mannen en vrouwen
Met het bespreken van het probleem der buitenechtelijke kinderen erkennen de schrijfsters het bestaan van de amoureuze relaties tussen Europeanen en Indonesiërs. Hoewel? Mevrouw Catenius kan niet om het bestaan van die kinderen heen, maar wenst nauwelijks een woord te besteden aan hun ouders. Het heet dat de moeder terugkeert naar de kampong waardoor ze niet in staat is voor haar kinderen te zorgen. Mevrouw Kloppenburg waarschuwt met een enkel woord tegen 'afgedankte menagères', terwijl mevrouw Rutten meent dat bepaalde vrouwen aan eenzame Europese mannen 'als huishoudsters of verzorgsters de hemel verdienen' en mevrouw Swaan geeft een droge afstandelijke verklaring van het begrip 'Indo-Europeaan'.
Als enige heeft mevrouw van Helsdingen nauwelijks last van dergelijke schroom. Zij beschrijft openhartig de ellende die voort kan komen uit een gemengde, al dan niet gewettigde, verbintenis. Dat zij ook aandacht heeft voor de Europese vrouw die met een 'Inlander' trouwt, is waarschijnlijk zeer progressief.

Tot slot
Wie alle nuances negeert, komt tot de volgende generalisaties. Mevrouw Catenius was de eerste die een handboek schreef; haar uitgebreide corpus adviezen is gekleurd door een toon van koloniale superioriteit. Mevrouw Kloppenburg heeft die toon ook, zij het wat minder; opvallend element is haar kennis van geneeskrachtige planten en kruiden. Mevrouw Rutten is rationeel en praktisch (de stem van de wetenschap?) en haar boek getuigt al van ethische opvattingen. Die nemen bij mevrouw Swaan de vorm aan van een christelijk ethisch besef waarmee ze in de dagelijkse praktijk goed uit de voeten kan. Dat mevrouw Van Helsdingen zo onverbloemd openhartig is in zaken van zedelijkheid, ligt eerder aan haar kordate en geen-flauwekul instelling dan aan haar tijd.
Natuurlijk valt hier veel op af te dingen en aan toe te voegen, maar in grote lijnen lijkt het te kloppen: de persoonlijkheid van de schrijfster en de tijd van ontstaan van het boek blijken bepalende factoren voor het genre 'Indische dameshandboeken'.

Nog steeds fantaseer ik dat ik naar Indië ga; alle mogelijke problemen die in de handboeken aan de orde werden gesteld, hebben we daarvan niet kunnen weerhouden. Het heeft juist andersom gewerkt. Tijdens het lezen en herlezen voelde ik dat vijf vriendinnen mij terzijde stonden tijdens mijn reis naar en mijn verblijf in dat prachtige land. Zij troostten me als ik het moeilijk had, spraken me kordaat toe als ik in mijn wipstoel urenlang romannetjes las en gaven me nuttige adviezen als ik worstelde met de vraag die mevrouw Rutten zo prangend formuleerde: "Waaraan moet ik denken? Wat moet ik doen?"

 

Onder de bedrijfsnaam Mevrouw Vijf Producties produceert Vilan van de Loo creatieve teksten.
http://www.vilanvandeloo.nl