Vilan van de Loo
Vilan van de Loo, creatieve teksten
boeken artikelen websites lezingen gesprekken
contact colofon FAQ media actueel

 

 

 

Interview met Zonneke Matthée:
"Kennis doorgeven, daar gaat het mij om"

Zonneke Matthée was acht jaar hoofdredacteur van Historica, het tijdschrift dat zij van een eenvoudig gestencild Vrouwengeschiedenisblad veranderde in professioneel kwartaalblad. Afgelopen zomer droeg zij deze functie over aan Marijke Huisman. Uiteraard blijft Zonneke VVG-lid. Waar komt haar passie voor vrouwengeschiedenis vandaan? En welke feeën stonden om haar wieg? Een fascinerend verhaal over persoonljke inspiratie, over leven met het toeval en over een toekomst die langs hopelijk fietspaden en door NSB-archieven gaat.

"Nee, heldinnen heb ik niet", zegt Zonneke Matthée (1944) beslist. "Dat woord is me te dweperig. Te sterk. Maar het is in mijn leven wel zo geweest, dat ik op het juiste moment (toeval?) een vrouw ontmoette die me aan het denken zette over mijn eigen leven en die me inspireerde om een andere weg in te slaan. Dat is recent weer gebeurd. Nu ik terugkijk op mijn periode met Historica, maak ik ook de balans op van mijn leven tot dusver."
Of het werkelijk toeval is, mogen theologen en filosofen beslissen. Sprookjesvertellers zouden zeggen dat er rond Zonneke's wieg feeën stonden die zich later op het juiste moment zouden manifesteren. Terwijl momenteel aan de universiteiten discussies voortwoeden over female agency, vertelt Zonneke een persoonlijk relaas over inspiratie vinden en praktisch handelen, en waarin geschiedschrijving een werkwoord is dat ook vrouwen betreft.

"Op de Montessorikleuterschool wilde ik later al schooljuffrouw worden. Dat ideaal heb ik jaren lang vast gehouden, maar het realiseren lukte niet. Mijn opleiding schoot tekort, want ik had alleen kweekschool, zoals de Pedagogische Academie toen heette," vertelt Zonneke. En zo sneuvelde een meisjesdroom. Het ideaal dat daarvoor in de plaats kwam, was geheel volgens de tijdgeest van de jaren vijftig even vrouwelijk: kinderverpleegster worden. "Ik las over het bestaan van Florence Nightingale. Als meisje bewonderde ik zo'n jonge vrouw die naar de Krim ging om daar soldaten met cholera te verplegen. Ze had een rijke vader, dus in principe kon ze, als ze dat wilde, een luxe leven leiden. Werken hoefde ze niet. Maar ze wilde het." Het ideaal dat Nightingale voor ogen had, sprak Zonneke zo aan dat ze als zestienjarige ging werken als verpleeghulp in een particulier tehuis voor spastische kinderen, gevestigd te Epe. De natuurlijk geachte vrouwelijke zorgzaamheid werd er flink benut: werkdagen van zeven uur 's morgens tot elf uur 's avonds waren regel, en geen uitzondering. Een enkel weekend in de maand hoefden er geen diensten worden gedraaid. Dan mocht ze naar huis en kon ze bijslapen. Ook tijdens een latere interne pre-klinische opleiding tot verpleegkundige bij de nonnen in de Sint Maartenskliniek te Nijmegen was het hard werken.
De gedachte aan Florence's doortastende zorgzaamheid verdween in deze praktijk geleidelijk naar de achtergrond. "Toen verloofde ik me en zou geheel volgens de vroege jaren '60 ideologie gaan trouwen en kinderen krijgen. Mijn idealen van onderwijs en verpleging leken verdwenen. Maar de verloving raakte af, het regiem van de nonnen verdroeg ik niet meer en omdat ik geen uitzicht had op een kostwinner, besloot ik een andere richting in te slaan."

De positie als eerste verkoopster in de servies-en porceleinwinkel Hoyink aan de Amsterdamse Kalverstraat verveelde evenwel snel. Alsof Aletta Jacobs de winkel had overgeslagen, moesten verkoopsters er de hele dag staan. Net als haar 19de eeuwse voorgangsters, was verkoopster Matthëe 's avonds doodmoe en had zij vaak zere benen. De avond-HBS die ze volgde, was nauwelijks meer vol te houden. Zonneke: "Na een half jaar wist ik dat het zo niet verder kon. Alleen met halve dagen werken kon ik de studie erbij doen, maar daarvoor had ik de financiële steun van mijn vader nodig. Die weigerde omdat ik, zo meende hij, toch snel zou trouwen en dan was het zonde van zijn geld. Toen ben ik maar met de opleiding gestopt. Mijn vader had gelijk, wat het trouwen betreft, want kort daarop kwam ik Cor tegen, we trouwden en op het moment dat op mijn oudste zoon Brent kreeg (1967) werd ik ontslagen. Het verplichte zwangerschapsverlof bestond toen nog niet."

"Tijdens de tweede feministische golf bezocht ik de avond-HAVO, met geschiedenis als favoriet vak. Ik verslond stapels boeken, onder andere Omzien in verwondering van Annie Romein-Verschoor. Ze schreef dat ze zich een meisje voor halve dagen voelde ten opzichte van Jan en haar kinderen. Dat trof me zo. Ik dacht: dat ben ik ook, een meisje voor halve dagen. Inmiddels was in 1971 onze tweede zoon Tjerk geboren. Net als Annie wilde ik méér zijn dan alleen een liefhebbende echtgenote en moeder. Door het lezen van die zin voelde ik mijn meisjesideaal van schooljuffrouw zijn herleven. Ik maakte de HAVO af en ging 's avonds MO-geschiedenis studeren op het Nutsseminarium."
"Ook The Feminine Mystique van Betty Friedan deed veel met me. Dat boek ging over mij! Getrouwd met een schat van een man, twee leuke jongens en toch niet helemaal gelukkig. Ik miste werk met een eigen inkomen. Dat had ik tot de geboorte van mijn oudste zoon altijd verdiend. Het was zo gek dat ik voor Cor een cadeau kocht van geld dat ik niet zelf had binnengebracht." "Met het lezen van Betty Friedan ging een wereld voor me open. Ik wilde een eigen kamer en mijn studie afmaken, hoe moeilijk dat ook was. In die tijd verhuisden we van Amsterdam naar naar Leiden, waar ik in een nieuwbouwwijk kwam te wonen. Cor had een baan, ik verloor de vriendinnen onder handbereik en zo daar zat ik dan, als groene weduwe."

Na haar studietijd kwam een lawine van activiteiten. Eerst een baan als docente geschiedenis en maatschappijleer op een MAVO in Bodegraven, en daarna een andere baan op het Bonaventura-college in Leiden. Hier onderwees ze naast het verplichte geschiedeniscurriculum ook de geschiedenis van vrouwen. In 1986 ontving ze hiervoor de KRO-M/V Emancipatieprijs. Zonneke was lid en secretaris van de Leidse Werkgroep voor Vrouwengeschiedenis, een onderdeel van het Landelijk Overleg Vrouwengeschiedenis (LOV); waaruit de huidige Vereniging voor Vrouwengeschiedenis (VVG) is voortgekomen. Ook was ze redactielid van Vrouwendomein, het vierde deel uit de reeks Een tipje van de sluier. Ze was actief lid en later de eerste vrouwelijke voorzitter van de Vereniging van docenten in Geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN). Ze werkte mee aan de invoering van een centraal schriftelijk eindexamen vrouwengeschiedenis in 1990 en 1991. En ze was betrokken bij projecten preventie sexueel geweld in het onderwijs, bij emancipatieprojecten en bij nascholingscursussen.

Tussen de bedrijven door las Zonneke alles wat los en vast zat. Vooral De tweede sexe van Simone de Beauvoir maakte veel indruk op haar. "Zij was de eerste die het begrip gender introduceerde met haar stelling 'on ne nait pas femme, on le devient'. Als feministische theoretici daarmee hadden gewerkt, dan hadden we de fase van het slachtoffer-feminisme waarschijnlijk kunnen overslaan. Maar haar boek is in Nederland pas aangeslagen tijdens de tweede feministische golf. Nu is het modieus om kritiek op De Beauvoir te hebben, dat zag je vorig jaar nog toen De Tweede Sexe vijftig jaar na publicatie werd herdacht. Toen Joan Scott met genderconstructie kwam, was ik met anderen, met dit idee konden we meer dan met het slachtoffer-denken."

Tot dat moment verliepen zowel de loopbaan als het privé-leven van Zonneke succesvol. Zij had energie voor tien, genoeg om een nieuwe baan als onderwijskundige op het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) te vervullen, talloze nevenactiviteiten op zich te nemen, managementtrainingen te geven en daarbij ook nog echtgenote en moeder te zijn. Het kon niet stuk, leek het. En toen ging het stuk. Na een ongelukkige val uit een bureaustoel werd na uitputtende consultaties de diagnose Chronisch Benigme Pijn Syndroom (CPBS) gesteld. Kort gezegd betekende dat: pijn, een bijna niet te verdragen pijn. In het hele lichaam voortduren zenuw- en spierpijnen, zodat het bijna ondraaglijk was te zitten of liggen, en chronische slapeloosheid het gevolg was.
Zonneke kan achteraf het proces nuchter analyseren: "In het eerste jaar dat ik ziek was, verwachtte ik nog beter te worden. Het tweede jaar ook. Daarna begon het me te dagen, dat ik ziek zou blijven en dat die baan en alles wat ik verder deed, niet meer mogelijk was. Toen ging ik mezelf vragen stellen: wie ben ik nog, als ik niet meer kan wat ik kon? Wie ben ik voor mijn vrienden, collega's en partner? Wie ben ik voor de kinderen? Die waren een dynamische moeder gewend, onvermoeibaar, die overal voor in was. Als ik me op een vergadering voorstelde, zei ik wat ik allemaal deed. Nu waren er nauwelijks vergaderingen meer. Ik teerde op wat ik had gedaan. Maar of dat genoeg was?"

Zoals eerder, waren er nu ook vrouwen die inspirerend waren. Renate Dorrestein publiceerde over haar ziekte ME het boek Heden ik waarin zij met enig cynisme de ervaring beschreef van ziek te zijn, de martelgang langs doktoren en door ziekenhuizen en de reacties van vrienden. Ook Frida Kahlo bewees met haar werk meer te zijn dan 'alleen maar' een patiënte. Zonneke: "Toevallig was ik twee jaar eerder in Mexico geweest en had ik een biografie over haar gelezen. Later zag ik in Paleis Noordeinde haar schilderijen, waarop ze pijn laat zien, de fysieke pijn die zij uit haar eigen leven zo goed kende. Frida oversteeg de pijn. Ze bleef schilderen en er prachtig uitzien, met mooie jurken en verzorgde make up. Ze was meer dan een invalide, ze was een vrouw die schilderde en daardoor deel bleef uitmaken van de wereld om zich heen. Zo wilde ik ook zijn. Leuk en verzorgd in mijn rolstoel zitten. Al was ik niet meer de vrouw van toen, ik had nog altijd een baan, en dat was Historica. Daar heb ik de energie in gestoken die ik nog had."

"En nu ben ik al tien jaar ziek. Dat heb ik geaccepteerd. Recent heb ik pijnpleisters en nieuwe medicijnen gekregen waardoor de pijn hanteerbaarder wordt. De ziekte is daarmee niet over, maar als het mooi weer is, kan ik een klein stukje gaan fietsen. Dat was eerst ondenkbaar. Daarom heb ik de keuze gemaakt om niet meer van deadline naar deadline te leven en te stoppen met het werk voor Historica. Maar ook om de tijd te hebben voor mijn eigen historische onderzoek." Dat onderzoek heeft een oorzaak en een aanleiding.
Vorig jaar las ze het interview met Corry Brokken in Opzij. De voormalige rechter en zangeres vertelde onder andere over haar achtergrond als dochter van een man die gedurende de Tweede Wereldoorlog lid was van de NSB. Dat raakte Zonneke: "Ik vond het zo dapper dat zij, als bekende Nederlander, dit naar buiten durfde te brengen. Want het is een beladen onderwerp, de NSB. Er wordt meestal nog steeds in de goed/fout-indeling van dr. L. de Jong gedacht. Terwijl de werkelijkheid veel genuanceerder ligt. Zoals ik indertijd door vrouwen als Betty Friedan en Simone de Beauvoir me bewust werd van mijn positie als vrouw, en zoals ik door Renate Dorrestein en Frida Kahlo leerde meer te zijn dan een zieke, zo inspireerde dat interview mij om mijn achtergrond verder te onderzoeken. Want die maakt deel uit van een bijna verzwegen deel uit de Nederlandse geschiedschrijving, namelijk die van de NSB."

Dan vertelt Zonneke over Pip Matthée, een 'brood-NSB-er' in de terminologie van De Jong. Als in 1942 voor Pip de dreiging komt om in Duitsland te werk gesteld te worden, weet hij niet wat te doen. Hij is 23 jaar, woont in Roosendaal en heeft een eigen reclameadviesbureau. Naar Duitsland gaan betekent zijn zaak kwijtraken. Op aanraden van de NSB-burgemeester Daems wordt Pip lid van de NSB. Toch komt de oproep. Hij zegt meteen zijn lidmaatschap op. En hij trouwt snel, in de hoop dat zijn echtgenote zijn zaak mag overnemen. Dat lukt niet en Pip moet naar Wenen. "Pip was mijn vader," zegt Zonneke eenvoudig.
Ze vervolgt: "Vrouwengeschiedenis heeft laten zien dat de werkelijkheid oneindig veel genuanceerder is dan we dachten. Dat is hier ook het geval. Het lijkt erop, dat het klimaat in Nederland rijp is om op een realistische manier naar het oorlogsverleden te kijken. Koningin Beatrix heeft tijdens het bezoek van de Japanse keizer gezegd dat we het verleden niet moeten wegstoppen, maar het moeten erkennen zoals het geweest is, zodat het de toekomst niet kan blokkeren. Dat is ook mijn standpunt. Maar dan moeten we wel dat verleden onder ogen durven zien."
Daar hoopt Zonneke met haar onderzoek aan bij te dragen. Ze richt zich op constructies van vrouwelijkheid en mannelijkheid in NSB, op gender-vertogen. Een precieze onderzoeksvraag zal in de loop van het onderzoek pas geformuleerd kunnen worden. Dat staat in de kinderschoenen, maar is daarom niet minder veelbelovend. Zonneke onderzoekt archieven, houdt interviews met vrouwen uit die periode en bouwt een netwerk op, onder meer via de Werkgroep Herkenning. Verder koopt ze waar mogelijk archivalia van de Nationaal Socialistische Vrouwen organisatie (NSVO). Dat is heel confronterend: "Het is vrij zeldzaam; de mensen durven het nauwelijks te koop aan te bieden. Als ik op een rommelmarkt naar NSVO-brochures vraag, word ik merkwaardig aangekeken. Als ik zeg dat ik historisch onderzoekster ben, mag het opeens. Zo merk ik dat het systeem goed of fout nog steeds in werking is. Nog steeds wordt mijn vader veroordeeld."

Nu haar Historica-periode afgesloten is, begint met dit onderzoek een nieuwe fase voor Zonneke. Hoewel, nieuw? Alleen naar onderwerp. De kern van dit werk is dezelfde als in haar meisjesdroom van onderwijzeres te zijn: "Kennis doorgeven, daar gaat het mij om. Ik heb me ingezet voor vrouwengeschiedenis omdat ik het niet rechtvaardig vond dat er zo weinig aandacht werd besteed aan de geschiedenis van vrouwen. De geschiedenis recht doen, zoals die zich heeft afgespeeld. En daarom ga ik nu dat onderzoek doen."

 

Onder de bedrijfsnaam Mevrouw Vijf Producties produceert Vilan van de Loo creatieve teksten.
http://www.vilanvandeloo.nl