Tim en ik. Over de liefde tussen een kater en een vrouw

Tim van de LooIn oktober 2015 verscheen zijn autobiografie. De titel: Tim. Avonturen en bespiegelingen van een kater op leeftijd (Prometheus). Dat boek heb ik samengesteld uit zijn blogs en dagboeken. Zijn mening, zijn ervaringen. In deze serie blogs schrijf ik over wat er was en in zekere zin nog steeds is. Dit is de bijzondere geschiedenis over het ontstaan van een grote liefde, over rouw en het hervinden van vreugde. De blogs zijn voor iedereen die weet wat het is om van een dier te houden en hem of haar te verliezen. Is de liefde voor een dier groter dan die voor een ander mens? Kan dat, zo'n verlies verwerken? En wanneer heb je ruimte om opnieuw lief te hebben? Lees mee, beleef het mee en... mij mailen over uw ervaringen en vragen kan altijd. Tim en ik dat is Lovestory 2.0.

Hulp van Boven ||  Diagnose dement ||  De oude jongen ||  Een veilige vesting ||  De kraan voor het raam ||  Een kleurloos blaadje sla ||  Aan het infuus ||  Het gelukkige leven ||  's Nachts miauwen ||  Bommetje op het bed ||  Een vreemd geluid ||  De uitvinding van de poezenlimonade ||  De wisselwoning (5-5) ||  De wisselwoning (4-5) ||  De wisselwoning (3-5) ||  De wisselwoning (2-5) ||  De wisselwoning (1-5) ||  Kater op leeftijd ||  Diagnose artrose ||  Hoe de avondsnack ontstond ||  Brokje voor brokje ||  De zielzorger ||  Een bobbel op zijn oor (3-3) ||  Een bobbel op zijn oor (2-3) ||  Een bobbel op zijn oor (1-3) ||  Omgaan met bezoek ||  Muis in huis ||  Helpen met het bed ||  In de badkamer ||  Luxe jaren ||  Onze nachten ||  Het huis delen ||  Lief zijn tegen elkaar ||  Leren spelen ||  Op schoot zitten ||  Stapjes verder ||  Kennismaken ||  Aan de dag beginnen || 

Wilt u het boek over Tim bestellen? Dat kan bij Bol.com, bij uitgeverij Prometheus en bij uw eigen boekwinkel natuurlijk.

Mijn huisgenoot Bert heeft een eigen site met elke dag nieuws, een blog of andere kattenswaardigheden. Bezoek Bertje's wereld op Huiskater Bert.

 

 

Een jaar later

Zondag 24 april 2016

Uiteindelijk kwam het onvermijdelijke nog snel. Een week voor zijn twintigste verjaardag stierf Tim, op 29 april om tien voor half twaalf. Het gebeurde thuis, hij lag in mijn armen en was klaar om te gaan. Maar weg was hij niet. In de dagen erna hoorde ik hem en zag ik hem. En ik wist: Tim is er nog, alleen op een andere manier.

Tim van de LooDeze week is het een jaar geleden. Tim en ik zijn nog altijd verbonden en de liefde komt nog steeds van beide kanten. Daar schrijf ik over in het nieuwe boek over Tim, waar ik momenteel aan werk. Het gaat over afscheid nemen, over een nieuwe liefde toelaten (dat was Bertje) en over het bereiken van dit evenwicht: samen, en dan anders.

Al met is dit een goed moment op pas op de plaats te maken met dit blog. Een jaar is lang en toch ook kort.

Regelmatig spreek ik mensen die ook afscheid moesten nemen van een geliefd dier. Dan vraag ik altijd: heb je de dagen erna waarnemingen gehad, of dromen? De ander kijkt dan verbaasd: ja, nou je het vraagt.... En dan ontstaat er een bijzonder gesprek.

Nu woon ik samen met Bertje. Hoe ik hem ontdekte, is een verhaal apart. Ik vermoed dat Tim daar zo zijn invloed op had. Als ik Bertje aai, zeg ik vaak: "Dat heeft Tim goed gedaan", en dan spint Bertje, want dat vindt hij eigenlijk ook.

Tim blijft. De verbinding is alleen anders. En daar moet ik nog steeds aan wennen, voel ik.

 

 

 

Hulp van Boven

Zondag 17 april 2016

Op zich konden Tim en ik best leven met de laatste diagnose waarmee hij dement was verklaard. Hij was dezelfde lieve kater als hij voor diagnose was geweest en we hadden het even gezellig. Dus eigenlijk was er niks veranderd. Mij leek het veel belangrijker de restverschijnselen van de TIA te verhelpen. Alleen: hoe moest dat?

Tim van de LooDe dierenarts wist het niet. Die had het over tijd geven, en als de Vitofyllin tegen de dementie niks deed dat we dan daarmee konden stoppen. Wat we deden.
De kattenwebsites die ik elke dag bestudeerde, gaven evenmin oplossingen voor het scheef lopen van Tim. Het huis aanpassen, schreef hier en daar iemand, maar dat had ik al lang gedaan. Overal in de huiskamer stonden kussens en lagen kleedjes, waardoor de inrichting leek op een ziekenhuis voor de oudere kater, wat het feitelijk ook was.
En zelf? Wat ik deed, vond Tim fijn. Lange aaisessies. 's Nachts bij hem zijn doordat ik op de bank sliep. Gesprekjes waarin ik hem vertelde hoe lief, hoe stoer en hoe geweldig hij was. Maar hij bleef scheef lopen. Dat was niet goed voor een kater.
Er was iets meer nodig, iets beters. Kwam er maar hulp van Boven, hoopte ik.

En net in die dagen nam een man contact met mij op, die ik nog van vroeger kende. A. was bepaald veranderd. Hij had zich bekeerd en hij was nu ook werkzaam als handoplegger om ziekten en kwalen te genezen. Op zijn website las ik dankbetuigingen van mensen die door hem genezen waren.
Ik vroeg hem of hij ook voor dieren werkte.
Jawel.
Het tarief dat hij noemde, viel me mee. En het mooie was: hij werkte ook via foto's, zei hij, ik hoefde alleen iets op te sturen waarop Tim hem aankeek, dat was goed genoeg. Elke keer als hij Tim had behandeld, zou hij een berichtje mailen. Zo kon ik de vooruitgang bijhouden.
Dezelfde dag nog maakte ik het geld over.

's Avonds zat ik naast Tim op de bank te wachten. Ik aaide hem en vertelde wat er ging gebeuren en dat hij daardoor beter zou worden. Toen er later op de avond een berichtje kwam, keek ik naar Tim. Hij leek zowaar wat rustiger. De behandeling sloeg vast aan. Wat was dat geld goed besteed geweest.

 

 

Diagnose dement

Zondag 10 april 2016

Zoals altijd schikte Tim zich in de omstandigheden. Artrose, TIA, nierdieet - wat er ook aan de hand was, hij moest even wennen en dan accepteerde hij de nieuwe fase van zijn leven. Een mens moet op cursus om te leren loslaten, Tim kon vrijwel dat vrijwel moeiteloos. Beter dan ik.

Tim van de LooHet herstel van de TIA ging me te langzaam. Tim liep nog steeds scheef. Op de duizenden websites over katten en aandoeningen vond ik niet de gehoopte gouden tip over een medicijn waarmee alles weer goed zou komen. Ik wist zeker dat het bestond. En dus was het mijn verantwoordelijkheid om dat te vinden.

Eind maart verstapte Tim zich en flink ook. Hij liep nog schever. Meteen die dag zaten we bij de dierenarts. Hij kreeg een injectie met Onsior, een pijnstiller. Ik vertelde trots over de mentale kracht van Tim. De dierenarts keek nog eens goed naar hem. Toen kwam een verrassende diagnose.

"Hij is dement," verklaarde de arts. "Niet beginnend en niet ver heen, ongeveer in het midden." Daar keek ik van op. Zou het? Hij leek best gelukkig. "Dat zie je vaak bij katten die een slechte jeugd hebben gehad. Dan zoeken ze als ze dement worden meer contact met hun mens en daar zijn ze dan heel tevreden mee." Het nachtelijk miauwen kwam door de dementie. En hoe het verder ging, dat was afwachten. Vitofyllin kon de doorbloeding bevorderen waardoor hij zich beter en helderder kon voelen.

Thuis gingen Tim en ik samen op de bank liggen. Hij op mij. Ik aaiend. "Dat is ook wat, Tim," zei ik, "nou ben je nog dement ook, wie had dat gedacht." De kleine kater moest ervan spinnen. Hij vond het helemaal niet erg, want hij was nog gewoon die hij vanmorgen was geweest. En nou ja, aaien vond hij heerlijk.

Ik keek eens naar hem. Hij zag er even slim er alert uit als altijd. En ik dacht, dement of niet, wat maakt het eigenlijk uit? Hij voelt zich veilig, hij voelt zich geliefd, en daar gaat het om. Nu moesten alleen nog die restverschijnselen van de TIA weg.

 

 

De oude jongen

Zondag 3 april 2016

Op maandag 5 januari 2015 vierden Tim en ik zijn verjaardag, zoals we dat elke maand deden. Hij knorde van genoegen toen ik hem vertelde dat hij er zo goed uitzag, hoe atletisch zijn lichaam was en hoe glorieus zijn grote snorharen, en dat hij ook zo lief en stoer was. Ik aaide hem tijdens de complimenten, zachtjes vanwege zijn artrose.

Tim van de LooJa, dat alles kon waar zijn, maar tegelijkertijd groeide mijn aandacht voor hetgeen hij at en dronk, waar en wanneer hij sliep en hoe hij miauwde.

Op vrijdag 9 januari maakt Tim me 's morgens keer op keer wakker, terwijl ik graag nog wilde slapen. Hij gaat op me liggen, hij miauwt zacht bij mijn hoofd en dan opeens hard, en daardoor geef ik het op. Ik ben wakker. We gaan aaien. Tim is tevreden. Maar als we weer in de huiskamer zijn, kijkt hij wat raar uit zijn ogen. Ik vertrouw het niet. "Tim, waar heb je behoefte aan?" vraag ik. Een paar minten later lig ik op de bank onder een deken, en hij ligt bovenop de deken, tegen mijn handen aan. Soms aai ik. Soms slaap hij. Als hij zijn lippen aflikt, vermoed ik dat hij misselijk is. Zijn neus is droog.
Maar twee uur later rekt hij zich heerlijk uit, springt van de bank en gaat smakelijk eten, en daarna drinkt hij. Niks meer aan de hand.
Ik weet nu: aaien leidt tot eten.

En zo doen we het steeds. Tim eet liever niet zonder mij, als ik overdag weg moet, raakt hij geen brokje aan. Ik maak dus tijd om elke dag met de oude jongen te eten. Lange aaisessies horen erbij. Samen op de bank liggen ook, hij voelt zich dan extra geborgen. Ik zie wel dat hij per keer wat minder eet. Het is eten, pauze voor aaien en bemoediging, even wassen, eten, pauze, eten. Pauze. Maar: hij eet, en met smaak en plezier. Hij krijgt nu 's morgens een eerste lekker ontbijt, dan halverwege de ochtend nog iets, 's middags breng ik hem een snack met wat medicijnen erin, we hebben de avondmaaltijd en de avondsnack en er staan altijd brokjes.

Tim geniet van elke dag. Samen op de bank liggen vindt hij heerlijk. Het gebeurt dat hij aan mijn gezicht komt snuffelen, en ik zijn snorharen voel kriebelen en de warmte van zijn poezenlijfje. Ik mag hem een kopje geven, zo met mijn wang zachtjes langs zijn vacht. Wil hij exta aaien, dan duwt hij zijn kop onder mijn hand.

Terwijl Tim floreert bij deze toename van koestering, voel ik me vaag-ongerust. Ik zie dat hij zich goed voelt, we spelen elke dag. Ik zie ook dat er steeds meer voor nodig is om hem zich goed te laten voelen. Maar hij is gelukkig, en dat is het belangrijkste. Soms overleg ik met de dierenarts en dan zeg ik altijd: "We doen wat voor Tim het beste is." En dat is elke dag aaien en samenzijn, de hele simpele dingen die ons gelukkig maken.

 

 

Een veilige vesting

Zondag 27 maart 2016

Geleidelijk veranderde het huis in iets dat het meeste leek op een ziekenboeg voor de kat op leeftijd. Overal lagen kussens, de een wat zachter en groter dan de ander, en bij elke afspringplaats had ik dubbele matjes neergelegd. Tegen de bank stond een groot kussen geleund, dat functioneerde als een op- en afloopplank. De artrose van Tim werd erger, en ik wilde dat hij er in huis zo min mogelijk wat zou merken.

Tim van de LooTim paste zich aan. Soms zag ik hem halverwege het grote kussen even stilstaan, of hij de kamer vanaf die plek even in ogenschouw nam. Daarna liep hij door. Ik lette voortdurend op hem, zonder het eigenlijk te beseffen. Iets in mij zei: blijf alert, hij is oud en kwetsbaar, let goed op, dan kun je veel voorkomen. Dus dat deed ik. Toen ik zag dat Tim lastig van een andere bankhoek sprong, blokkeerde ik die hoek met een stoel. Daar kon hij niet meer komen. Het huis moest veilig zijn.

Zo verstreken de weken, en geleidelijk kreeg ons samenzijn een nieuwe diepgang. Vooral na de jaarwisseling van 2014 voor 2015 voelde ik me bezorgder dan ooit tevoren om hem. In mijn hart begreep ik dat zijn medisch pakketje op hem moest drukken, in mei van dat jaar zou hij 20 worden. Maar dan zei ik tegen mezelf, dat de meeste katers heel oud werden tegenwoordig en ik rekende erop dat hij zeker 23 zou worden. Zijn verjaardag zou het bewijs zijn dat we nog heel veel tijd samen hadden.

Tim vond het fijn dat ik zoveel aandacht voor hem had. De oude jongen genoot ervan. Ik zag dat hij zich extra geborgen voelde. Dat ik vaker thuis was - afspraken buitenshuis vermeed ik waar mogelijk - deed hem ook goed. Er waren middagen, dat hij en ik samen op de bank lagen, hij op mijn buik en dan vouwde ik mijn handen om hem heen.
's Avonds zat ik te computeren en dan sliep Tim op zijn eigen elektrische deken. Vaak zette ik die ook overdag aan. Hij vond het heerlijk. Die warmte ontspande hem. Hij zag er dan verrukkelijk wazig uit.

Tot mijn verbazing kon hij nog steeds traplopen. Mentaal was hij ook sterk. Toen er tijdens de jaarwisseling zo'n afschuwelijk vuurwerk was geweest, had hij om mij gerust te stellen, althans zo leek het, met de muis gespeeld, brokjes gegeten en voor me gerold, om duidelijk te maken dat alles in orde was. En het hielp, ik werd minder gespannen.
Ook hielp hij met het huishouden. Het bed was zijn specialiteit. Ging ik lakens verschonen, dan liep Tim mee naar boven om op zijn moment op het bed te gaan liggen. Pauze. Tijd voor aaien en kleine gesprekjes en spinnen en spelen en rollen, alles op het grote matras zonder dekbed. Toen ik het matras omkeerde - een zware klus - kwam Tim nieuwsgierig kijken wat ik aan het doen was. Bovenaan de trap zag ik een belangstellend koppie de kamer in gluren. Ik moest lachen en daardoor verloor ik greep op het matras, dat viel zowat op me, maar Tim schrok niet terug voor het tumult, en bleef vol interesse staan.

Hij at goed en nam zijn tijd. Ik was er altijd bij en moedigde hem aan. Goedzo, Tim. Nog een hapje. Ja, goedzo. Het gaat best lukken. Wat ben jij een geweldige eter.
Zo ging het ook met de avondsnack.
Alles was er, alleen was er meer tijd nodig voor alles.

 

 

De kraan voor het raam

Zondag 20 maart 2016

Leven en werken temidden van boeken en in het gezelschap van de liefste kater ter wereld, beter kon het niet. Wanneer ik op welke dag dan ook mijn zegeningen telde, stond dit altijd op de bovenste plaats. En dat was zeker zo op mijn verjaardag. Op die dag keek ik volgens een persoonlijke traditie terug op het jaar dat achter me lag en vooruit naar het nieuwe jaar. Op die dag maakte ik een uitstapje, dat paste bij de stemming van het jaar. Een keer bezocht ik een workshop met een spiritueel paard, waar ik veel leerde over nabijheid en vrije keuze. Een andere keer liet ik me na een massage opsluiten in een stoomcabine waar alleen mijn hoofd uitstak, daar moest ik nog maanden om nagniffelen. 's Avonds keek ik dan naar een film, knus thuis met Tim. Aan visite had ik nul behoefte, en Tim trouwens ook niet.

Tim van de Loo In november 2014 was de stemming beneden peil. Ik voelde me beklemd. 's Morgens al was ik in tranen en die bleven de hele dag stromen. Uit de diepte van mijn hart borrelde de angst op die me in beslag nam. Het was de angst om Tim te verliezen. Misschien was dit wel de laatste verjaardag die we samen zouden vieren. Ik wist zonder het te willen weten dat hij oud aan het worden was, en dat hij een medisch pakketje droeg dat zwaarder werd.

Tranen bij het wakkerworden, tranen beneden in de huiskamer. En voor het raam, buiten in de straat, stond al dagen een hoogwerker geparkeerd waardoor er een dreigende schaduw in de huiskamer viel.
Tim was er meteen bang voor geweest, toen de grote hijskraan (daar leek het onding nog het meeste op) in de straat was gereden om mannen werkzaamheden op het dak aan de overkant te verrichten. Na het werk hadde de mannen de kraan op de stoep geparkeerd. Die schaduw, de nabijheid, waren veel te veel voor hem. Hij durfde niet meer in de vensterbank te zitten. Oversag sloopt hij door het huis, zelfs met dichte gordijenen. Wanneer we met de muis aan het lintje speelden, was hij ongewoon fel, alsof die gevoelens daarin een uitweg zochten. Angst en agressie liggen dicht bij elkaar.

Ik belde en mailde herhaaldelijk over de hoogwerker. Steeds werd ik van het kastje naar de muur gestuurd; de gemeente, de verhuurder, de gebruiker, niemand leek bereid te zijn het onding elders te parkeren.
Dus dat kwam er ook nog bij. Die pure onmacht. Dat zoiets zomaar neergezet wordt en je er niets tegen kunt doen. En dat een geliefde kater zomaar oud kan worden en dat je voelt geen lange tijd van leven meer samen te hebben en dat je er niets tegen kunt doen.

Tevoren had ik een museumjaarkaart voor mezelf gekocht. Het plan was om naar een mooi museum in Rotterdam te gaan. Ik had mezelf toegesproken over flink zijn en de dag plukken.
De ochtend van de verjaardag bleek dat het niet zou lukken. 's Morgens in bed was ik in tranen om alles, terwijl Tim lief bij me kwam om even fijn samen te aaien. Dat was boven. Beneden zag ik hem sluipen met die lage rug, en even later met het spelen was hij weer zo fel. Tegen een uur 's middags vertrok hij naar boven, om daar veiligheid te zoeken. Ik wilde nergens meer heen. Thuis blijven, samen zijn, troost vinden bij elkaar.

Ik ging even naar de markt om wat boodschappen te doen. Het regende, en dat kwam me goed uit: zo vielen de tranen op mijn wangen minder op. Ik bleef maar huilen, om die kraan die er stond en waar Tim bang van was en waar ik niks aan kon doen, om de angst voor de toekomst die ik zelf voelde en ik wist gewoon niet wat te doen. En ook een beetje uit zelfmedelijden, omdat dit nou mijn verjaardag was.

Die dag heb ik vooral thuis gecomputerd. Gordijnen dicht. 's Avonds leek de kraan in het donkere buiten minder zichtbaar. Tegen negen uur was Tim was wat gewoner te zijn en we speelden bijna ontspannen. Ik had mezelf weten te troosten met een nieuw toekomstperspectief: op 5 mei was Tim jarig, en daar zouden we een extra fijne dag van maken. Dat plan bewees dat het nog helemaal geen einde oefening was, dat Tim en ik best jaren samen konden doorbrengen en van die jaren moest ik toch zeker niet elke dag zitten te wenen, vond ik. Tussen november en mei lagen vijf maanden. En daarna zouden samen elke dag uitkijken naar mijn verjaardag, besloot ik, en die zou heel wat fijner zijn dan deze. Zo moest het gaan.

Een paar dagen later werd de hoogwerker opgehaald. Ik had een foto ervan gemaakt en op Twitter gezet. Het uitzicht was weer normaal, Tim durfde weer in de vensterbank en ik herademde. Jammer van die verjaardag. Maar ik keek uit naar Tims verjaardag in mei, de dag die alles goed zou maken, met terugwerkende en vooruitwerkende kracht.

 

 

Een kleurloos blaadje sla

Zondag 13 maart 2016

Het was op een vroege zaterdagochtend in juli 2014, dat Tim tegen zijn gewoonte niet naar de slaapkamer kwam. Dat was gek. Ik wachtte even en besloot naar beneden te gaan, misschien sliep hij nog. Vanaf de overloop boven zag ik hem beneden in de kattenbak zitten. O, vandaar.

Maar dat was toch de reden niet. Even later - ik kwam net uit de douche - zag ik hem iets wits overgeven. Hij ging aldoor in en uit de kattenbak. Eten wilde hij niet. Aaien wel. Onder mijn handen voelde ik een slap katertje. Hij dronk iets. Ging weer naar de kattenbak en kwam veel te snel terug, en tijdens een volgende keer duurde het te lang. Hij bezocht zijn tweede kattenbak in de douche. Hij likte zichzelf merkwaardig aandachtig onder zijn staartje. Toen hij zich probeerde te verbergen tussen de kastjes en het gordijn, sloeg mij bij de rode stop door. Naar de dierenarts, meteen.

Tim van de Loo Ik belde een taxi.
Ik kleedde me razendsnel aan.
Wat make up.
Gooide geld en pinpasjes in de handtas.
De taxi kwam. Tim liet zich slapjes als hij was gemakkelijk in het korfje zetten en zo liepen we de trap af, nog voor tien uur s morgens, op weg naar de dienstdoende dierenarts in de Stevenshof.

En toen op de behandeltafel. Zijn achterwerk werd verdoofd. Ze spoelde zijn plasbuis door met een soort spuitje dat een lange tuit had, en daardoor kwam er iets uit zijn katerpenis tevoorschijn, iets dat een kwart vierkante centumenter groot was en nog het meeste leek op een kleurloos blaadje sla. Dat had in de weg gezeten bij het plassen.
Timkreeg een injectie met morfine (Buprecare) tegen de pijn, een injectie met antibiotica (Amoxicilline) en een pillenkuur om de plasbuis te laten ontspannen (Oxybutine). En ik dacht, nu we er toch zijn, kan misschien een infuus zijn nieren wat ondersteunen. Dat kon. Die paar minuten aan het infuus, daar kon hij hopelijk maanden zich beter door voelen.
Tim liet als altijd alles toe, maar ik zag hoe lief de dierenarts tegen hem was. Dat zachte. Tegen hem praten. Hem als de persoon zien die hij was en niet de zoveelste patiënt in de weekenddienst. Ook dat hielp, zowel hem als mij. We voelden dat de dierenarts zorg voor Tim had.
We gingen naar huis met de mededeling dat hij voor zes uur die avond moest plassen. Het was waarschijnlijk een blaasontsteking. Of een in de weg zittend slablaadje, dus.

Al in de taxi terug begon Tim te miauwen met een rare lage stem. Thuis bleef hij dat doen. Hij liep onrustig rond, ging naar boven en beneden en stapte in en uit de kattenbak. Elke keer ging ik hoopvol kijken. Om twee over half twaalf zag ik enkele donkere korrels. Ik voelde me meteen blij. Maar meer kwam niet. Eten weigerde hij. Water dronk hij maar heel weinig en dan nog pas na veel aaien en gesprekjed.
Het werd zes uur en nog altijd had Tim niet geplast.
Om twee over zes belde ik de dierenarts, proberend ondanks mijn paniek normaal te spreken.
"Hij moet voor tien uur morgenochtend geplast hebben," zei ze. Anders moesten we terug komen voor een nieuwe behandeling.
Ik zette me alvast schrap.

Die avond, om zes minuten over zeven plaste Tim zomaar in de kattenbak. Hij kon het weer. Ik wist niet of ik moest huilen of lachen en ik geloof dat ik beide heb gedaan. Nu nog het eten, want zijn nieren moesten blijven werken. Later op de avond nam ik hem op schoot en probeerde hem via het spuitje wat te geven, net zoals toen na zijn ooroperatie. Tim had er geen zin in. Hij miauwde even scherp naar me. Ik begreep het.

Na het plassen brak fase twee aan, de week waarin medicijnen gegeven moesten worden. Het werd een moeilijke week. De pillen waren te bitter om in een lekker hapje te verstoppen, dus moesten ze direct in zijn bek. Het waren dagen vol groeiende wanhoop (ik) en wantrouwen (hij). Wat te doen? Ik kon toch niet op dat beestje gaan jagen als hij zich tegen medicijntijd verstopt had. Na al die jaren was ik eindelijk zijn veiige mens geworden en dat wilde ik blijven. "Dan maar de helft," zei de dierenarts.

Ik ging compenseren. Hij kreeg iets meer Ipaktinine over zijn medicijnsnack, waarvoor ik nu AD/Hills gebruikte, het zware aansterketen. Ik bleef vaker thuis, in de hoop dat hij daaraan morele steun ontleende. En ik serveerde regelmatig poezenlimonade, met op de bodem van het water iets van Gourmet, tonijnflinters of AD/Hills.

Heel langzaam, op zijn eigen manier, herstelde Tim. Hij deed alles in het klein. Eten. Drinken. Hapje, wassen, hapje, aaien, even lopen, hapje. Zijn avondeten at hij in vijf fasen, met mij erbij als eetcoach. Terwijl Tim leerde beter te worden, leerde ik voor de zoveelste keer iets over geduld.

 

 

Aan het infuus

Zondag 6 maart 2016

Juni 2014 was een snikhete, benauwende en uitputtende maand. Tim en ik hadden moeite met de hoge temperaturen, en Tim deed het als gewoonlijk beter dan ik. Hij nam de dag en het moment voor wat het was, ik nam er een toekomst bij om over te piekeren. Want Tim dronk niet zo goed water, en hoe moest dat verder gaan? Hij was een kwetsbare jongen: zijn leeftijd, een TIA gehad, dan de artrose en de nierproblemen, en eten deed hij ook al niet zo veel. Extra water aanbieden in verschillende schaaltjes haalde niet zoveel uit. Het assortiment uitbreiden van vers tot zeer rijp water evenmin.

Tim van de Loo Eind juni gaf Tim een beetje over in de huiskamer. Hij voelde mager aan.
Ik vond het zorgelijk. Maar aan de andere kant, veel mensen aten minder met de hitte. Misschien was het wel normaal. En toch, spelen deed hij ook al minder. Ik besloot het internet hierop na te pluizen en met de dierenarts te overleggen.

De uitkomst was dat Tim aan het infuus moest. Het klonk griezeliger dan het was. Zelf had ik ooit in een ziekenhuis aan het infuus gehangen, en dat was net als in de film, vooral toen ik een infuuspaal kreeg waarmee ik theatraal kon rondschuifelen. Maar dat was ik. Tim deed zoiets niet.

De behandeling zou de opvattingen van de nieuwe school volgen, zei de dierenarts. Dat was een kuur van drie snel elkaar opvolgende infusen met fysiologisch water en dan behandelen op resultaat. Ging het na de eerste keer meteen goed met Tim, dan was het klaar. Nierpatienten knapten vaak binnen enkele uren op. Per keer kostte het dertig euro. Geen probleem, vond ik, en zeker niet met in mijn achterhoofd de weersvoorspelling van hete dagen.

Op dinsdag 24 juni kwamen we voor het eerste infuus. De dierenarts trok een plooi van Tims vacht omhoog, die bleef even staan voor hij terugveerde. Een teken van dehydratatie, uitdroging. Het was hoog tijd dat er wat vocht bijkwam. Tim liet het gebeuren, op zijn passieve bangige manier. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem, zodat hij me kon zien en vaak tegen me kon leunen. Op mijn beurt leunde ik tegen de behandeltafel waarop hij zat, zodat ik van de zenuwen niet om zou vallen. Voor Tim wilde ik sterk zijn en dat was ik ook.

De dierenarts stak een naald in Tims nek. Er zat een draad aan. Dat was het infuus. Rondom Tims hals zal ik een verdikking ontstaan, het leek een soort kraag. Hier zat het infuusvocht, dat de nieren zou doorspoelen en Tims lichaam zou hydrateren. Wat een heerlijk idee. Na nog geen tien minuten was het klaar en mochten we naar huis. Daar viel ik neer op de bank. Tim rende van opluchting rond, at tot drie keer toe van zijn brokjes en verdween toen naar de slaapkamer, om daar bij te komen.
De dag erna voelde hij wolliger en zachter aan. Dat was het water. Ik had hem ook zien drinken. Ik aarzelde over het tweede infuus. Om nou weer daarheen te gaan, dat leverde hem stress op. En misschien was dit genoeg.
In mijn hart wist ik wat het beste was: nog een keer. We gingen dezelfde dag nog. Weer dezelfde vochtkraag, en weer thuis van de oplchting rondlopen, brokjes eten, water drinken en daarna naar de slaapkamer.
Maar er was een verschil geweest: Tim wilde niet mee. Hij stak zijn pootje door het korfje als protest. Er zat dus vooruitgang in. Ik besloot de hele kuur te doen, voor het maixmale effect. Op dag drie had ik een kater die zowel op de heen-als terugweg weerstand bood en daarna zijn programma van brokjes eten tot bijkomen afwerkte.

De dagen erna keek ik met Argusogen naar Tim. Ik probeerde te bepalen hoe het met hem ging. Ja, hij dronk iets. En het eten leek beter te gaan, hij nam de tijd en at zijn avondeten met een paar pauzes tussendoor. Hij voelde steviger aan. Hij miauwde zoals ik gewend was. Hij wilde weer mee naar de badkamer.

Geleidelijk begon het me te dagen dat het misschien niet heel goed met Tim ging gezien zijn medische rugzakje, maar toch ook weer niet heel slecht. Ik moest hem de ruimte geven om te zijn wie hij was: een oude kater die tijd nodig had om te herstellen. De infusen hadden hem een eindje op weg geholpen, en de rest kon hij hopelijk zelf. En daarna zou alles weer in orde zijn.

 

 

Het gelukkige leven

Zondag 28 februari 2016

Met het naderen van de lente in 2014, voelde ik weer hoop op een lang leven samen. Ik leefde toe naar Tims verjaardag op 5 mei, dan zou hij 19 jaar worden. Dieper dan ooit tevoren besefte ik wat een gelukkig leven we samen hadden. Een dag bestond uit een geheel van grote en kleine gewoonten, en we keken altijd waar die ander was.

Tim van de Loo Meer en meer begon ik te beseffen dat dit een volwaardige liefdesrelatie was. De emotionele intimiteit was even groot als de fysieke intimiteit van aaien, samen slapen en wakker worden, oogcontact en spinnen. Ik rook graag aan hem; vooral in zijn flanken had hij een bescheiden zachtzoete geur. We waren verbonden, wat nog het meeste merkbaar was aan iets dat Tim graag wilde: nabijheid.
Dat betekende vooral samen op het tapijt liggen zonder elkaar aan te raken. Niet aaien. Niet praten. Niet naar elkaar kijken. Zo liggend was er verbinding, contact. Nabijheid had niks met doen te maken en alles met zijn. Zo liggend voelden we ons samen. In alle opzichten was de een de ander nabij.

In welke mate ik mijn leven om Tim had gedrapeerd, merkte ik toen er een vacature aan de universiteit kwam. Docent Nederlands te kunnen zijn, dat was een van mijn dromen en doelen. Kijkend naar de vacature dacht ik, stel dat ze me nemen. Dan ben ik hele dagen van huis. Daar kan Tim niet tegen. En hoe moet dat als we naar de dierenarts moeten?
Ik solliciteerde niet.
Thuiswerken was eigenlijk veel fijner. Zo kon ik tegen Tim praten en hij genoot als ik hem aaide en met zachte stem zei wat er in mij opkwam.
"Jij bent mijn poes en ik ben jouw mens."
"Wat zie je er toch atletisch uit."
"Mijn lieve Tim, van wie ik zoveel hou."
"Wat ben je toch een lieve intelligente en beschaafde jongen."
"Goedemorgen poezeprins."
Tim vond alles goed, behalve als ik "poemie" tegen hem zei (afgeleid van poema), dan stond hij op en liep weg.

We bleven onze kleine onenigheden en merkwaardigheden houden. Speelde ik als eerste met de muis, dan kon hij vol belangstelling naar me kijken, tot ik stopte en zei: "Ik speel niet alleen, hoor Tim. Het is samen of niet." Soms rolde hij over mijn schoenen heen en knaagde de veters af, wat ik pas merkte wanneer ik de schoenen aantrok. Tim kon er niet tegen om een beha te zien in een stapel uitgetrokken kleren, dus die stopte ik dan in de stapel, uit zijn zicht.
Het viel niet aan een ander uit te leggen hoe knus we het samen hadden. En ik wist, het maakt eigenlijk weinig uit wat er buitenshuis gebeurt, zolang ik kan thuiskomen bij Tim.

Diep van binnen voelde ik wel dat Tim een kwetsbare kater was geworden. Dat besef verdrong ik. Na zijn TIA was hij een beetje wankel geworden en gebleven, dus ik was alerter. Aaide ik hem met de ene hand, dan hield ik de andere hand tegen zijn lichaam, en hij leunde vol vertrouwen opzij.

Soms moest ik huilen. Dan was er toch opeens een gedachte geweest aan hoe lang hij er nog zou zijn. Dat wilde ik niet denken. Ik sprak mezelf streng toe, dat iedereen een mens of kater van de dag was en dat als hij er nog vier jaar zou zijn, ik heus niet elke dag kon gaan zitten huilen. Dat was ook niet goed voor Tim. Dit waren onze gelukkigste uren - en per uur zou ik dankbaar zijn voor mijn tijd met hem. We waren samen, en daar ging het tenslotte om. Daar was het altijd om gegaan.

Ik werd waakzaam en lette op alles. In april was ik dagen in paniek omdat ik dacht dat hij anders ademhaalde, met een rare piep erin. Terwijl ik nog beter probeerde te luisteren, ontging het me dat er regelmatig nachten waren waarin Tim bommetje op het bed speelde en dat hij overdag zijn speeltijd opeiste. Kwam hij bij mijn werktafel miauwen, dan zat ik op allerlei websites verklaringen te zoeken voor die piep. Was het astma? Bronchitis? Had hij longproblemen? Iets met zijn stembanden? Terwijl ik overal onheil vreesde, leefde Tim onbezorgd in het moment. Ik deed mijn best om zijn voorbeeld te volgen. Als er echt wat was, zou hij het vast laten merken. Zo leefden we in een eigen universum, een tweepersoonsbubbel.

De verjaardag vierden we met ansichten, extra speelgoed en zo mogelijk langer aaien. Ik zette foto's van Tim op Facebook en er kwamen feliciaties.

En toch waren er geleidelijk veranderingen. Het spelen werd iets minder wild. Hij werd aanhankelijker en ik zag dat de afhankelijkheid erin groter werd. Iedere avond hielden we een lange zachte aaisessie, waarin ik uitlegde dat de nacht eraan kwam en dat wannneer er iets was, hij meteen naar me toe moest komen.

We deden vooral wat hij fijn vond, en dat deden we op zijn manier. De nabijheid op het tapijt. Naast hem zitten op de bank. Samen kijken hoe in een doos een pingpongballetje heen en weer rolde, ik bewoog de doos zachtjes en praatte over rollen en balletjes. Op de bank liggen en hij op een deken die op mij lag, waarna ik mijn handen om zijn lichaam vouwde en we zo samen ontspanden en wegdoezelden in een halve slaap. Rustige dingen. Het deed me denken aan de wisselwoning, toen we samen naar buiten keken. Samen-zijn. Daar richtte ik me op. Die heerlijke verrukkelijke knusheid van het alledaagse leven. Ja, en de bommetjes natuurlijk, en het veel te vroeg wakker gemaakt worden. Ik knorde wat, hij miauwde terug, en dan waren we daarin alweer samen.

 

 

's Nachts miauwen

Zondag 21 februari 2016

Toen Tim echt op leeftijd begon te RAKEN, kwamen er geleidelijk veranderingen. Hij werd aanhankelijker. Afhankelijker van mijn aanwezigheid. Voelde hij zich kwetsbaar worden en zocht hij steun, onzeker over wat er aan het gebeuren was? Ouder worden is voor iedereen anders. Wat het voor jou betekent, moet je zelf zien te begrijpen.

Tim van de Loo Wanneer ik ging slapen, liep hij voortaan mee naar boven. Daar sprong hij op bed voor het aaien en praten, en daarna sprong hij weer het bed af om vervolgens beneden te slapen op een eigen favoriet plekje. De huiskamer stond en lag vol met kussens, dozen en dekentjes, dus was er volop keus. Steeds vaker hoorde ik hem vanuit de kamer beneden miauwen.
"Tim, wat is er?" riep ik vanuit de donkere slaapkamer.
Hij miauwde terug, het klonk of hij iets vroeg.
En ik: "Alles is in orde, hoor."
Weer dat gemiauw, lang en snerpend. "Ik kom eraan, Tim." Elke keer stapte ik snel uit bed, schoot de ochtendjas aan en bolderde naar beneden om daar een tevreden kijkende kater aan te treffen. Met wat aaien en een klein gesprekje leek de situatie weer onder controle te zijn.

Wat er met hem aan de hand was, begreep ik niet goed. Op websites las ik over de ouder wordende poes die in het donker moeilijker de weg kon vinden. De oplossing lag voor de hand. Meer licht in huis brengen. Bij de Hema kocht ik drie nachtlampjes, die een zachtgeel licht uitstraalden. Ze floepten helemaal vanzelf aan in het donker. Eentje prikte ik in een stopcontact op de slaapkamer, de tweede in een stekkerdoos die ik op de wasmand naast zijn kattenbak legde- zo was de route tussen huiskamer en slaapkamer verlicht. Het laatste lampje brandde in de keuken, ingeval Tim daar 's nachts wilde zjn. De verlichting scheen te helpen. Er klonk minder gemiauw. Maar als vanzelf was ik langer gaan aaien 's avonds, want van aaien werd hij altijd rustig. Elke keer wanneer ik ging slapen, zei ik: "Tim, als er wat is, maakt niet uit wat, gewoon naar de slaapkamer komen, hoor. Ik ben zo wakker."

Dat deed hij dus. Tegen drie uur, vier uur, of nog later, kwam hij naar boven, sprong op het bed en begon te miauwen of mij kopjes te geven. Meestal was ik een beetje wakker geworden van het geluid dat zijn pootjes op de houten vloer maakten. De sprong op bed deed de rest, en ik schoot overeind en voelde me ongerust. Hij wilde alleen aaien, dat zachte en regelmatige strelen over zijn lijfje. En ik zei elke nacht hetzelfde tegen hem: dat het in orde was, dat we veilig waren, dat ik thuis was en hij ook, en dat ik voor hem zou zorgen. Waarom ik precies dat zei, weet ik niet, wel dat ze werkten, want daarna kwam hij de nacht rustig door. 's Morgens voelde ik me wat gebroken maar ook blij en dankbaar. Een klein kwetsbaar dier had mij opgezocht voor liefde en troost. En ik bleek dat nog in huis te hebben ook. Dat ik me overdag slechter voelde, vond ik niet eens zo erg. Ik kon immers op de bank liggen, in mijn huispyjama en een oude badjas en vaak kwam Tim dan even op me hangen. Ik mocht tegen hem klagen, dat vond hij best. Geleidelijk werd dit normaal. Over het miauwen dacht ik niet meer na.

Het nachtelijk aandachtvragen duurde maanden. Wat er precies aan de hand was, weet ik nog steeds niet. Op een nacht hield het gewoon op en was er niets meer aan de hand. Een fase dus, die door iets veroorzaakt werd en door een ander iets weer overging. Het was een klein mysterie, maar in ieder geval, Tim leek weer gewoon te zijn wie hij was.

Zelf was ik wel veranderd. In mij leefde een nieuwe alertheid. Tim kon kennelijk opeens veranderen en iets van mij nodig hebben. Daar wilde ik dan wel op tijd bij zijn. Meer dan ooit tevoren wilde ik weten waar Tim was en wat hij deed, en soms ook waar hij sliep. Dat hij een kater op leeftijd begon te worden, zag ik heus wel. Alleen gaf ik me geen rekenschap van wat dat kon betekenen. Op websites zocht ik foto's van de oudste katers die ik kon vinden en dan rekende ik uit hoeveel jaren we nog hadden, als Tim tenminste niet nóg ouder zou worden. Dat kon best. Er waren altijd katers die het wereldrecord oud-worden brak. Wanneer er problemen kwamen, zou ik gewoon oplossingen vinden en dan was alles weer in orde.

 

 

Bommetje op het bed

Zondag 14 februari 2016

Na een paar maanden leek de TIA voorgoed verleden tijd te zijn. Er was geen tweede op gevolgd, waar ik bang voor was geweest. Tim kon vrijwel weer alles doen wat hij wilde, de trap op was geen probleem en in en uit de vensterbankspringen lukte prima. Maar er waren momenten dat hij wankelde. Het leek dan net, of er opzij iets aan hem trok waardoor hij zijn evenwicht verloor. Het duurde kort en Tim leek er niet echt last van te hebben. Als dit al een restverschijnsel was, leek het nauwelijks ernstig te zijn. Er was evenwel nog iets anders.
Tim leek aanhankelijker te zijn geworden. In zijn revalidatietijd was hij gewend geraakt aan mijn aanwezigheid; ik bleef zo vaak mogelijk thuis. Kwam het daardoor of was het iets anders, waardoor hij steeds vaker 's nachts mijn aandacht vroeg?

Tim van de Loo Aan het begin van januari 2014 noteer ik in mijn dagboek dat Tim me 's nachts wakker maakt. Hij springt op het bed, geeft me kopjes en ik aai hem met wat prijzende woorden over dat hij het zomaar durft, springen en vragen om wat hij nodig heeft. Het duurt meestal een paar minuten en daarna gaan we alletwee weer slapen. Hij beneden, ik boven.
Op vrijdag 3 januari schrijf ik dat Tim de avond ervoor mee naar de slaapkamer is gelopen. Daar bleef het niet bij: "ook vannacht: tegen twee uur zeer intensief knuffelen en aaien. Toen ging ik naar beneden om naar de wc te gaan. Hij liep mee, en ging op het tapijt in de huiskamer liggen, klaar om verder te aaien. Ik deed het. Toen de nood hoog werd, ging ik toch naar de wc en Tim liep op een drafje mee zodat hij daar verder geaaid kon worden. Wat ik ook deed." In de vroege ochtend maakte hij me weer wakker voor aaien.

Ik was blij met deze nieuwe knusheid. Elke keer als hij me wakker maakte, aaide ik. Dat moedigde hem aan om vaker om aandacht te komen vragen. Er waren nachten dat hij drie, vier keer kwam. Het steeds wakker worden putte me uit. Als hij dan 's morgens heel vroeg weer kwam, dan zei ik zacht: "O Tim, ik ben zo moe". Hij moest dan spinnen. Weigeren deed ik nooit. Ik dacht, dit heeft hij nodig.
Onze gewoontes verschoven.
Vaak ging hij niet meer mee naar de slaapkamer, maar kwam later even kijken als ik bijna sliep. Dan hadden we de nachtelijke aaisessies. 's Morgens dus ook. Elke keer dat hij na zes, zeven uur kwam, voelde ik me dankbaar, want Tim kwam ook weleens om vier, vijf uur. Hoe kon ik boos zijn op een katertje dat een tia had overleefd en dat zo hield van mijn aandacht? Ik hoopte ook dat hij door het vele aaien rustig en gezond zou blijven.

En toch, al was ik blij, in mijn achterhoofd zeurde een stemmetje. Dat waarschuwde dat die nachtelijke onrust misschien de voorbode was van een tweede TIA. Of dat er iets mis was met zijn schildklier, waardoor hij te actief was. Hij wilde toch ook heel graag spelen - dat kon ermee te maken hebben.

De TIA had ik niet zien aankomen, dus nu wilde ik extra opletten.

De vergrote activiteit 's nachts bleef. Tim werd zelfs actiever. Hij sprong zo hard op het bed, dat het leek of hij bommetje speelde, zoals kinderen dat in het zwembad doen. Bonk! Elke keer was ik meteen wakker en dan keek ik recht in een enthousiast poezengezicht. Ik vermoed dat hij de trap op rende, zich op het tapijt voor het bed afzette en dan in volle vaart belandde... op mij. Weken lang speelde Tim 's nachts bommetje. Dan weer een paar keer in eenzelfde nacht, dan weer een paar nachten niet. Ik was gebroken en piekerde over die schildklier.

Op een dag hield ik het niet meer uit. "Tim, we gaan," zei ik, en we gingen. Naar de dierenarts. Zeer tegen zijn zin werd er een stukje van zijn vacht weggeschoren waardoor er bloed afgenomen werd. Thuis ging hij extra wild spelen.
De bloeduitslagen waren goed. Geen schildklier,en de nierwaardes waren zelfs iets verbeterd.

Ondanks de uitslagen bleef ik ongerust over Tim. Stond hij eventjes in een ongewone houding, dan dacht ik aan zijn artrose. De angst voor een tweede TIA kon ik niet loslaten. Tim bolderde vrolijk door de dagen heen, en genoot van zijn twee halve maaltjden in de ochtend, zijn snack 's middags, zijn avondmaaltijd en de avondsnack, alles geserveerd met lieve woorden en aandacht. Ik bleef erbij zitten als hij at en als hij even pauzeerde, dan aaide ik hem en prees hem:"Wat ben je toch een grote eter, Tim." We hadden aaisessies waarbij ik op de bank lag, een deken op me legde en hem zacht met beide handen vasthield. Hij genoot van alles. Maar ik voelde iets - ik weet niet wat. Een dreiging.

Om dat onrustige te bezweren maakte ik een huisreglement. In vijf artikelen:

1 Niemand is welkom, tenzij op uitnodiging.
2 In dit huis heerst rust en vrede.
3 De rechten van de hier woonachtige poes-persoon zijn even belangrijk als de rechten van de hier woonachtige mens-persoon.
4 We zijn het huis dankbaar voor de veiligheid die het biedt.
5 Wie hier binnentreedt, accepteert het huisreglement.

Zo ging het dus. Ik wat onrustig. TIm genietend van het leven. On de ochtend was hij druk met eten en spelen. Dan vertrok hij naar boven om te slapen. 's Avonds weer beneden voor aaien en banksessies. En 's nachts speelde hij bommetje op het bed.

 

 

Een vreemd geluid

Zondag 7 februari 2016

Het was november 2013 en Tim leek me aanhankelijker dan anders. Misschien door de kou? Tim miauwde vaak zo hard,was dat wel goed? Hij dronk best veel water, vond ik. Iets om in de gaten te houden. Het spelen met het lintje verliep wild, Tim rende door de kamer in een hoog tempo, en met een inzet die me verdacht groot leek. Soms speelde hij zelfs alleen met een muis, al controleerde hij wel of ik naar hem keek. Een paar keer ontdekte ik op het huiskamertapijt een wit veegje, dan had hij een beetje overgegeven. Ja, hij was wat onrustig. Net als ik. We moesten maar extra veel aaien, besloot ik, en dat deden we dus ook.
Aan het einde van de maand deed ik iets ongewoons. In plaats van 's morgens thuis te computeren, ging ik weg, en wel naar de uitverkoop van mijn favoriete winkel. Toen ik terugkeerde met een zwart mantelpakje, wilde Tim rennen en spelen met de muis onder een rode doek. Hij leek van slag. We hebben lang samen op de bank gelegen.

Tim van de LooDie nacht schrok ik wakker van een vreemd geluid. Er was iets. Iets slechts. Binnen een fractie van een seconde sprong ik uit bed en rende de trap af. Meteen zag ik het. Tim zat beneden, raar om zich heen kijkend. Ik ging bij hem zitten en aaide voorzichtig, peilend wat er aan de hand zou kunnen zijn. Na een poosje leek hij weer op zijn gewone zelf en hij wandelde naar de huiskamer om daar te gaan slapen. Ik ging terug naar bed. Boven zag ik dat het vier uur was geweest.

's Morgens leek Tim alles behalve zichzelf. Hij kwam wel naar de slaapkamer maar viel bij het springen bijna van de bedrand af. Hij viel raar neer. De trap aflopen vond hij eng, dus ik droeg hem. Beneden wilde hij zich wassen maar dat lukte niet, zijn achterpootje stak buiten zijn wil een andere kant op. Ik schrok vooral toen ik hem zomaar mocht oppakken en op schoot zetten, waar hij bleef zitten, een klein lijfje, stil en passief.
Binnen een uur na het wakkerworden zaten we bij de dierenarts.

De diagnose was snel gesteld. Zijn hart klonk onrustiger, zijn ogen waren sterk achteruitgegaan, de coördiantie ook. Het leek erop dat Tim in de afgelopen nacht een kleine TIA had gehad. Hij kreeg een injectie met corticosteroïden, zodat er in zijn hersenen een betere doorbloeding zou komen. Het werkte twee dagen. Ook vond de dierenartshet beter om van Fortekor (tegen een hoge bloeddruk) over de stappen op het nieuwere Semintra.
Thuis wilde Tim meteen naar de veilige slaapkamer. Ik kwam er even later met een beheerst rustige stap achteraan. Hij lag op bed, wat verdwaasd, alsof hij niet goed wakker was. Ik aaide hem en hij dat liet hij toe. Soms hoorde ik hem spinnen. Ik zette een schoteltje met brokjes op het bed, hij at er een paar. Daarna ging ik naar beneden.Hopelijk kon hij slapen, en bracht dat genezing.
In de avond leek Tim wat helderder, maar op de bank springen kostte meer moeite dan anders. Ik dacht aan de trap en besloot beneden te slapen. Het was een gemakkelijk besluit.

De dag erna at Tim al iets meer brokjes en hij wilde zelfs een beetje spelen. Hij maakte geen ongelukkige indruk. Tim had zijn nieuwe situatie geaccepteerd. Ik niet. Na intensief lezen op websites had ik een revalidatieplan opgesteld. Hij moest herstellen en dat betekende geen risico's nemen, extra bemoediging bij het eten, voorzichtig spelen zodat hij de controle over zijn lichaam terugkreeg en verder alleen doen wat Tim fijn vond.
Wat dat was, bleek vanzelf.

Ik bleef beneden slapen, op de bank. Gedurende de nacht kwam Tim er af en toe even bij, genietend van het samenzijn. De ochtend begon met lange aaisessies, waarbij ik hem tijdens de lange voorzichtige strelingen zachtjes toesprak over straks beter zijn. Samenzijn vond hij belangrijker dan ooit, en ik ging die dagen die volgden dus zo weinig mogelijk weg. Eens keerde ik terug van het station, toen ik me er toch te ongemakkelijk bij voelde. Dan gngen we weer aaien. Dat was de aaitherapie. We deden ook speltherapie. We deden alles, en ik probeerde niet te denken aan een tweede TIA.

Tijdens de middagen lag Tim bij voorkeur op de bank of in zijn doos in de huiskamer. Ook al leek hij herstellende, nog steeds was hij een patiënt. Ik was te bezorgd om te werken. Middag na middag keek ik naar afleveringen van The Walking Dead, tot ik bang werd voor zombies. Achter de voordeur zette ik toen een scherpe schop als wapen. Dat kon ik tenminste wel onder controle houden. De gezondheid van Tim niet.

Maar Tim herstelde, vooral toen we terugschakelden naar de Fortekor. Van de Semintra werd hij sloom. De dierenarts leek het onwaarschijnlijk. Maar het scheelde.

In december, de maand na de TIA, oefenden we voorzichtig met traplopen. Op de gang had ik nachtlampjes aangebracht, zodat Tim overal beter zicht had. Boven stond het bed verder van de muur. Ik had een hoofdkussen van het bed gehaald, zodat hij een brede opspringbaan had. Aan weerszijden van het bed lagen dikke Perzische kleedjes. En het wonder gebeurde: Tim sprong en hij sprong goed.
"Durf je het aan?" vroeg ik, naast hem op bed liggend.
Hij keek vastberaden. Ik aaide. Hij begon te spinnen.
Even later zag ik hoe goed hij ook van het bed afsprong, recht op de kleedjes, en zelfstandig en snel de trap af liep. Als vanouds, leek het.

Toen wist ik het zeker: Tim was op weg naar gezondheid. Het evenwicht opzij was nog niet helemaal terug, en soms oogde hij wat fragiel, maar 't zou een kwestie van tijd zijn eer ook dat weer gewoon was. Op 15 december schreef ik in mijn dagboek: "Het lijkt of het contact intenser is geworden na de TIA, ik ben me in ieder geval meer bewust van onze band en hoe hij is op het moment en in de dag."
We waren hechter dan ooit tevoren.

 

 

De uitvinding van de poezenlimonade

Zondag 31 januari 2016

Het was een typisch Hollandse zomer, met van die snikhete en drukkende dagen. Dat voelden we in onze bovenwoning. Het is hier tjokvol boeken en die houden warmte vast. Het raam kon ik niet openzetten omdat het risico aanwezig was dat Tim eruit sprong, optimistisch over het leven buitenshuis. Binnen was het dus nogal warm. We voelden ons alletwee sloom. Tim dronk minder en minder water, zag ik. En dat met die hitte, en dat voor de nierpatiënt die hij was. Dat moest beter. Maar hoe? Hem dwingen kon niet.

Tim van de LooIn huis stond overal iets voor Tim om uit te drinken. In de huiskamer had hij een grote waterschaal waar hij staand uit kon drinken. Soms kreeg hij daardoor nat borsthaar, als hij over de rand hing. Naast een van zijn dozen stond een vierkante glazen schaal en elders bij zijn brokjes een klein rond schaaltje. In de slaapkamer had hij een ondoorzichtige glazen schaal. Beneden werd alles dagelijks ververst, bij hitte vaker. Boven iets minder vaak, zodat Tim daar beschikte over gerijpt water van een dagje oud. Onderzoek op poezenwebsites had me geleerd dat dit water een ongekende aantrekkingskracht op veel katers kon hebben. Soms dronk Tim er inderdaad van. Een paar slokjes.

Ik zette meer schaaltjes neer, die elk van elkaar verschilden in vorm en diepte. Tim was een kater die sterke voorkeuren had, dus wellicht had hij gewoon nog niet het ideale waterschaaltje gekregen. Het werd voor mij wat lastiger hier in huis te lopen zonder iets om te stoten, zo groot is het hier niet, maar Tim nam er geen slokje meer water om. Wat nu?

Uit de kraan drinken had hij nooit gedaan.
Voor de wastafel in de badkamer had hij nooit belangstelling getoond.
Soms dronk hij uit mijn waterglas, maar niet vaak genoeg.
Internet leerde me dat het antwoord op dit probleem bestond in de vorm van een waterfonteintje. Ik ging naar de dierenwinkel.

Waterfonteintjes bleken een industrie op zich te vormen. Er waren verschillende modellen, die elk door het ontwerp een verschillende stroom water boden. Stuk voor stuk duur. Maar ja, dacht ik, zoiets verslijten we niet gauw. Bij de kassa rekende ik zo'n vijftig euro af. Een goedkoop model.
Thuis vulde ik het fonteintje en ging ermee op de grond zitten. Tim kwam nieuwsgierig kijken, ook omdat hij dacht dat er iets gezelligs ging gebeuren. Daar had ik op gewacht. Ik ging ervoor liggen en stak de stekker in het stopcontact. Een gezoem en geborrel weerklonk. Het fonteintje werkte en ik was de enige die het leuk vond. Tim vond het niks. Een beetje eng, eigenlijk. Die geluiden uit zo'n groot wit gevaarte, nee. Dezelfde middag nog zette ik het ding in de schuur. Het probleem van het waterdrinken was onopgelost.

Op de bank lag ik erover na te denken en flink te wanhopen. Een poes die niet dronk, droogde uit. En dan ging het met hem net zoals met mijn grootmoeder die ook niet wilde drinken in een hete Hollandse zomer. Binnen een paar maanden was ze dood. Dat wilde ik met Tim niet meemaken.

Hoe ik erop kwam, weet ik niet meer, maar in het diepst van mijn wanhoop kwam de verlossing. Als ik nou eens een laag plat schaaltje nam, dat vulde met een laagje water en daarin wat Gourmet Gold prakte? Dat was slecht voor zijn nieren, maar als hij niet dronk was dat ook slecht. Het was kiezen tussen twee kwaden. En ik koos voor het ene kwaad, denkend dat hij zonder water korter zou leven dan met Gourmet Gold. Ja, aan zulke ellendige conseqenties moest ik denken.

In de keuken studeerde ik al doende op de juiste verhoudingen. Het was gif en medicijn tegelijkertijd wat ik maakte.

Juichend bracht ik het schaaltje naar de huiskamer. Daar zette ik het neer en bleef erbij zitten. Tim keek naar mij, naar het water en deed niks.
Ik ging erbij liggen en keek zo ontspannen mogelijk. Met een mesje waaierde ik wat door het water zodat er een kleine golf in kwam. Hij keek en zag de flinters Gourmet.
"Zie je het Tim?" vroeg ik.
Hij zag het.
Tim boog zijn kopje voorover en snoof onderzoekend aan het water. Keek mij aan. Ik knikte verheugd, van binnen smekend om drinken.
Hij keek peinzend naar het water, even maar, en begon toen te drinken. O, wat voelde ik me blij en dankbaar. Tim zou drinken en leven, zolang er poezenlimonade bestond en de voorraad daarvan mocht wel onbegrensd worden genoemd. Tim dronk, het was zonder meer het hoogtepunt van de dag.

 

 

De wisselwoning (5-5)

Zondag 24 januari 2016

Aan de vooravond van onze verhuizing maakte ik me zorgen. Terug naar huis, ik wilde wel. Maar in de wisselwoning had Tim had zijn weg gevonden en hij had het er naar zijn zin. En samen was het fijner dan ooit, leek het wel. Zoals we hier speelden, was nieuw. We hobbelden met een muis aan het lintje door de kamer heen, ieder aan een eigen kant van het lint. Tim genoot van dit huis. Lekker schuiven op de gladde vloer - dat kon niet op het tapijt. De breedte van de vensterbanken waar hij zo graag in zat - thuis had hij nu dankzij een tussenplank een doorlopende vensterbank, maar of hij er daadwerkelijk wilde zitten, moest ik nog afwachten. De zoomies 's nachts over de trap en dan door de grote huiskamer, thuis was de ruimte kleiner. En ik wist: Tim had zich weliswaar aangepast, maar dat was niet gemakkelijk gegaan. Het was de vraag of hij dat weer zou kunnen. En ook, of hij thuis wel als thuis zou herkennen. We waren een kleine drie maanden weg geweest. De thuisgeur was vervlogen. Het rook er naar bouwvakmannen en verf.

Tim van de LooZoals we heen gingen, zo gingen we terug. Ik vulde de stekkers met Feliway, maakte een veilige kamer voor Tim met vertrouwd beddengoed en gebruikt catgrind. Op het tapijt strooide ik rustgevend valeriaan uit. Ik zette een doos neer met daarin een fleecedekentje, zodat hij zich kon verstoppen in een klein veilig hol. Tim gaf ik wat meer druppeltjes Bach Rescue Remedy, in de hoop dat hij mentaal sterker zou staan. Het katertje vertrouwde me - en ik had daardoor het gevoel hem iets ergs aan te doen.
Maar ik wist: aanstaande maandag zouden ze de wisselwoning in de steigers slaan en dan begon hier het boren en drillen en hameren en schreeuwen. Dan moesten wij weg zijn. Thuis waren we veilig.
Op vrijdag 26 maart liep ik heen en weer met tassen vol huisraad en boeken. Tussendoor aaide ik Tim en vertelde ik hem dat we straks weer fijn thuis waren. Hij vond het best, al zag ik onrust in zijn ogen. "Het duurt eventjes, Tim," zei ik, en ik voelde me een verrader.

Om half zeven 's avonds liep Tim snuffelend in de huiskamer rond - we waren thuis. Ik wist het, en hij leek het huis te herkennen. Hij rook aan het tapijt, aan de bank, hij liep de trap op naar de slaapkamer en kwam terug, hij at brokjes en gebruikte de bak. Steeds deed hij iets en kwam even bij me, alsof hij bevestiging vroeg dat het goed was, en dat het echt zo was zoals het was. Ik aaide hem en sprak hem toe. En ik zat aan mijn werktafel te tikken, in een poging zo gewoon mogelijk te doen. Dat stelde hem gerust.

Zaterdag begon goed. Tim sprong op bed en gaf me kopjes. Ik schoof van mijn hoofdkussen af en vroeg: "Kom je bij me liggen?" Hij kwam. Bij elkaar sliepen we zeker twee uur door, tot ik van de spierpijn wakker werd.
Beneden gingen we verder wennen aan het nieuwe vertrouwde. Tim was zachter door de extra Bach en alle kalmerende geuren die er hier hingen. Hij keek met belangstelling naar de vensterbank. Hij at weer brokjes, rolde wat over het tapijt en wilde vooral bij me zijn. Spelen was teveel gevraagd. Op de bank legde ik een kussen en een dekentje, zodat hij gemakkelijk kon liggen en mij in de gaten kon houden. Zo voelde hij zch het veiligste. Daar lag hij uur na uur, onwennig rondkijkend, soms slapend. Pas 's avonds tegen tien uur wilde hij een klein beetje spelen met een lintje. Ik was er blij mee. Op zondag vertrok hij 's morgens na het opstaan naar de slaapkamer - zijn oude gewoonte, die hij had teruggevonden.
Eigenlijk was ik trots op deze kater: op zijn leeftijd, met zijn achtergrond, en dan zo goed reageren op ingrijpende veranderingen. Daar kon ik een voorbeeld aan nemen. Zelf was ik een half mens van alle vermoeidheid en het piekeren.

Toen werd het maandag. Ik werd ruw wakker van keiharde timmergeluiden. Ze klonken dichtbij. Uit het raam gluren leerde me: er werd een steiger opgebouwd. Hier. Niet om de wisselwoning. Beneden belde ik de bouwopzichter ("Er zijn nog schilderwerkzaamheden"), vloekte, trilde van de spanningen en keek naar Tim. Hij zat met een lage rug naar de schaduwen voor het raam te kijken. Ik sloot de gordijnen en dacht: die steigers gaan ooit weg, en binnen is de wereld van onszelf. We waren wankel, onzeker, bang, maar we hadden elkaar en dat was alles wat er eigenlijk toe deed.

 

 

De wisselwoning (4-5)

Zondag 17 januari 2016

De wisselwoning was nog lang geen thuis voor ons beiden, maar toch waren we gewend geraakt aan de nieuwe omgeving. Tim was niet meer zo bang als in het begin, dankzij de Bach Rescue Remedy, de aanpassingen van het huis en ook de gewenning. Hij was flexibeler dan ik. Ik bleef min of meer dezelfde, bezorgd over Tim en proberend verder te werken, zo goed en zo kwaad als dat ging. Af en toe moest ik terug naar het echte huis. Dan stond ik daar in de huiskamer en werd binnen de kortste keren overspoeld door heimwee naar het argeloze gelukkige bestaan dat Tim en ik daar hadden gedeeld, toen er nog geen sprake was van renoveren. Tim had geen last van heimwee. Hij leefde in het moment.

Tim van de LooIn de grote huiskamer van de wisselwoning ontdekte hij een route om te rennen: binnenkomend uit de gang, dan over de twee fauteils naar de bank, daar over de leuning en dan via de armsteunen op het tapijt. Vanaf het tapijt rende hij onder mijn werktafel door, zeilde een stukje over het gladde linoleum en nam zo goed mogelijk de bocht om weer op het tapijt te eindigen. Daar ging hij zich tevreden wassen. Zoomies heet dat. Gek rennen. Ik vond het fantastisch om te zien, en als ik aan mijn werktafel zat, probeerde ik niet te bewegen zodat hij ongestoord kon doorrennen. Een keertje rende hij over de gang waar ik net was. Meteen ging ik met mijn gezicht naar de muur staan en zei: "Ik ben er niet", Tim rende door. We waren samen altijd een beetje gek.
Ook het spelen veranderde van aard. Het moest wilder en vaker. We speelden elke ochtend, middag en abond een kwartier - langer kon niet, met het oog op zijn artrose. Over het laminaat zwiepte ik muizen weg die aan een lint waren gebonden, Tim rende erachteraan, ook als ik de muis terugtrok. Zwabberde hij over de gladde vloer, dan hield hij zich met beide pootjes vast aan een tafelpoot. Rennen, slingeren, muizen onder de bank uit graven, erachteraan over de stoelen, rennen, er zat enorm veel energie in hem.

Hoe dapper Tim ook was, hij voelde zich het veiligste op de slaapkamer en vooral in de donkere warme ruimte tussen de dekbedden. Daar groef hij zich het liefste diep in. Er lagen drie eenpersoonsdekbedden en elk daarvan had een eigen overtrek. Dat had voordelen en nadelen.
Eens kwam ik op de slaapkamer en zag een vorm bewegen in de dekbedhoes. "Rustig blijven Tim," riep ik overstuur en knipte de hoes open. Hij keek me tevreden aan, vol vertrouwen dat hij gered zou worden. Ik aaide hem en wist: die hoezen maak ik voortaan met veiligheidspelden dicht en voortaan slaap ik met een schaar op het nachtkastje. Die bleek een paar keer van pas te moeten komen. Duur beddengoed had ik gelukkig niet.

Het mooiste dat de wisselwoning ons bracht, had ik in geen honderd jaar kunnen bedenken. Het gebeurde bijna vanzelf. Op een avond hadden we net gespeeld met een muis aan een lintje, en we hingen nog wat na op de bank. Tim zat op de lange leuning, die met de rug naar een raam toe stond en ik zat op de korte armleuning. Ik praatte tegen hem en zag dat hij nieuwsgierig naar het raam keek. Hij liep over de bankleuning erheen, deinsde terug, en sprong op de grond. Ik schoof de bank dichterbij het raam en klopte op de leuning. "Kom maar, Tim." Hij kwam. Voorzichtig schoof ik het gordijn wat opzij en of het de gewoonste zaak van de wereld was, klopte ik in de vensterbank en vroeg: "Kom je erbij?" Hij stapte in de vensterbank en ging er ztten, met zijn wang tegen de mijne, ik voelde de haartjes van zijn vacht kriebelen. Zo keken we voor het eerst naar buiten. Met een zachte stem legde ik uit wat we zagen. Als antwoord gaf hij me soms een kopje.
"Kijk Tim, dat is een fiets."
"Daar gaan auto's."
"Buiten zijn mensen, maar wij zijn binnen veilig hoor."

Het duurde minuten. We vonden het alletwee spannend. Toen hield het op doordat hij weg sprong. Daarmee was het nog niet afgelopen.
In de dagen erna werd het normaal voor Tim in in de vensterbank te zitten. Kwam ik overdag de kamer in, dan zag ik soms een staartje achter het gordijn uit piepen. Een schaduw verraadde waar hij was en kwam ik kijken, dan trof ik een zondoorstoofde kater aan, sloom en warm en gelukkig. Zijn zoomies eindigden nogal eens met een kort hupje vanaf de bank naar de vensterbank. Ik vond het prachtig en nam me voor, thuis dat ook te regelen. In het plan voor nieuwe boekenplanken nam ik een plank op die beide vensterbanken aan elkaar verbond. Zo zou Tim een brede uitkijk hebben op de straat.

En zo, langzaam aan, met kleine en grote ontwikkelingen, vonden we toch iets van een thuis in deze wisselwoning. Maar we moesten terug, zei de woningbouwstichting. De renovatie was voltooid. Terug naar een huis dat al lang niet meer naar "ons" rook - hoe zou dat zijn?

 

 

De wisselwoning (3-5)

Zondag 10 januari 2016

Hoe bang Tim zich ook voelde in de wisselwoning, hij was en bleef een nieuwsgierige kater. Dankzij de kalmerende druppeltjes lukte het hem een paar stapjes in de huiskamer te zetten. Weliswaar draafde hij erna naar de veilige slaapkamer, maar hij keerde terug naar de huiskamer. Tijdens een van die uitstapjes zag ik hoe hij reageerde op dat ene raam waar geen gordijn voor hing. Zijn rug werd lager. Hij sloop terug naar de slaapkamer. De volgende dag had ik bij de kringloopwinkel een gordijn gekocht en het raam afgedekt, zodat er de hele huiskamer nu een afgedekte ruimte was. Het leek een soort hol. Dat hielp. Tim keek nog een keer naar het raam en besloot dat het in orde was.

Tim van de LooElke keer durfde Tim een paar stapjes verder te zetten en enkele minuten langer in de huiskamer te blijven. Steeds begeleidde ik hem daarbij vanuit de slaapkamer, door de gang, de huiskamer in. Soms zette ik de deur van de slaapkamer open en dan ging ik op de gangzitten, een stukje van de deur af. In z'n uppie keek hij zo onzeker, dat ik er snel mee stopte. Samen was het beste. En samen lukte het best goed.

Op een avond in februari was ik zo moe, dat ik geen energie had voor een speelsessie op de slaapkamer. Uitgeput lag ik in de huiskamer op de bank. Tim was er ook. Of het normaal was. besloot hij op het kleed voor de bank te gaan rollen, om vervolgens een wandeling te maken over de bank en de stoelen te wandelen, daarna zelf wat met een groen lintje te spelen en uiteindelijk gezellig bij mij te komen liggen. Hij leek alert, maar niet bang.

Ik besloot tot een klein experiment. 's Nachts zette ik de slaapkamerdeur op een kier. Hij kon gaan en komen naar believen terwijl alles rustig was en ik sliep. Ook de gang had ik inmddiels aangepast. Naast de trap omlaag was een hekje dat ik nogal aanwezig vond. Ik drapeerde er een ander kringloopgordijn overheen. Gesloten ruimten leken Tim een veilig gevoel te geven.

De eerste ochtend na een nacht met een open deur trof ik Tim slaperig aan op bed. Ik aaide hem. Hij voelde koel aan - alsof hij net terug was van een verkenningstocht. In huis zag ik nergens sporen. Maar het leek me een goed teken. De deur zou voortaan openblijven.

Al een paar nachten later werd ik wakker van een vreemd geluid. Het duurde even, dan stopte het. Erna begon het weer. Wat het was, begreep ik pas na seconden: Tim die over de trap rende, met kennelijk groot plezier erin. Hem roepen wilde ik niet. Stel je voor dat hij schrok - nee, dat niet. Wel dacht ik met enige ongerustheid aan de onderburen. Misschien was het gehorig.

Het ging dus in alle opzichten vooruit, maar een gewoon samenwonen zoals in ons vorige huis leek nog ver weg te zijn. Begin maart voelde Tim opeens klein en bang aan. Hij wilde niet meer geaaid worden. Maar na een half uurtje spelen met de muis leek er iets los te zijn gekomen of was hij ergens overheen geraakt, want daarna liep hij met me mee naar de huiskamer. Hij verkende het vertrek, snuffelde hier en daar aan en ging even op de kussens liggen. Daarna vertrok hij weer naar de slaapkamer. Soms zat ik in de huiskamer en hoorde pootjes tikken op het zeil van de gang. Ze kwamen niet altijd tot in de huiskamer, dan verdween het geluid weer. Het deed me pijn om hem zo te zien. Het was mijn schuld.

Ik paste de huiskamer verder aan. Een kast schoof ik naar voren, zodat hij zich erachter zou kunnen verstoppen. Over het tapijt strooide ik sterk ruikend kattenkruid, in de hoop dat hij zich daardoor fijner zou voelen. Elke nacht zette ik een schoteltje met brokjes neer in de huiskamer. En ik gedroeg me zo kalm mogelijk wanneer hij de huiskamer in kwam. Zo balanceerde ik tussen hem de ruimte geven om zijn eigen weg te ontdekken en begeleiden.

Toch bleef de slaapkamer het vertrouwdste. Daar sliepen we samen, daar werden we samen wakker en speelden we voor het bed met een muis of een lintje, voordat de dingen van de dag begonnen. We leefden daar letterlijk dichter op elkaar. Ik hoorde elk klein geluid van hem en hij van mij. We werden inniger. Nog meer een twee-eenheid dan we daarvoor waren geweest.

Geleidelijk kwamen er meer signalen dat Tim zich veiliger begon te voelen. De geluiden van nachtelijk rennen. Het leege schoteltje in de huiskamer: alle brokjes opgegeten. De toename van bezoeken. Hij liep met me mee naar de badkamer en rolde daar gezellig over het groene kleedje.

Op de ochtend van 10 maart 2013 wandelde Tim tde huiskamer in, rolde wat in het kattenkruid, tikte even tegen een lintje, keek naar mij en begon te eten. Daarna waste hij zich. Alles zo normaal als het maar kon. Ik zinderde van geluk. En daarmee was ik geheel onvoorbereid op de volgende fase.

 

 

De wisselwoning (2-5)

Zondag 3 januari 2016

De eerste nacht in de wiselwoning verliep onrustig. De gordijnen in de slaapkamer waren dunner. Er viel veel lantaarnlicht in de kamer. Tim en ik waren moe en gespannen, want het was duidelijk dat er ergens anders waren dan in ons eigen veilige huis, en we hadden geen idee hoe het hier zou zijn. Buiten klonken andere geluiden. Het huis zelf kraakte. Het rook vreemd. Eigenlijk waren we alletwee bang.

Tim van de Loo Ik sliep die eerste nacht weinig. Korte stukjes. Steeds werd ik wakker worden door het ongewone. Tim was bij me in bed geklommen en sliep evenmin door. Soms liep hij over me heen. Dan aaiden we even en fluisterde ik tegen hem, hij antwoordde met onrustig spinnen. Een keer werd ik wakker van het gravende geluid uit de kattenbak en voelde opluchting dat hij de bak gevonden had. Ik luisterde. Toen hij klaar was, hopte hij terug op bed. Hij sliep tegen me aan, naast me op het hoofdkussen, met een pootje tegen mijn hand - er was voortdurend contact, de bevestiging dat ik er was, dat we samen waren.

De deur naar de rest van het huis had ik gesloten, dit moest zijn veilige kamer worden. Pas wanneer hij zich hier geruster voelde, zouden we verder zien.

's Morgens speelden we even met een muis op het tapijt voor het bed. Ik ging ontbijt en zijn ochtendhapje maken. Toen ik weer terug kwam, was Tim onder het dekbed gekropen. Ik ging bij de bobbel zitten en riep hem. Hij kwam, liet zich aaien en at van het bordje. Gelukkig.
Een uurtje later ging ik weer kijken - en de bobbel liet zien waar Tim zich bevond. Daar had hij een eigen veilige plek gevonden. Nieuwsgierig naar de rest van het huis was hij bepaald niet.

Elke paar uur ging ik even naar de slaapkamer om polshoogte te nemen. Steeds zag ik dezelfde bobbel onder het dekbed. Tim kwam er alleen uit als ik hem riep.

Zoals het die dag ging, bleef het gaan. Verstoppen onder het dekbed, even eruit voor hapjes en aandacht, en 's nachts naast mij in en over het bed. Overdag zag ik hem soms naar de deur kijken, met een licht zwiepend staartje. Nee, daar zat geen verlangen in.

Ik besloot om bezoekuren in te stellen: de gewoonte van vaste tijden zou hem hopelijk rust geven. Dan was zijn dag immers voorspelbaar geworden. Elke ochtend, middag en avond (en ook tussendoor) kwam ik in de slaapkamer en riep hem onder het dekbed vandaan. Vaak had ik een hapje bij me. Hij at, ik aaide en we speelden wat met een lintje of muis. Soms lagen we gewoon bij elkaar op bed of op het tapijt.
In de dagen die volgden verplaatste ik geleidelijk mijn werkzaamheden naar de slaapkamer. De laptop ging mee, boeken eveneens. Tim begon wat steviger aan te voelen, er leek minder angst in zijn lijfje te zitten. Plannen om de slaapkamer te verlaten had hij niet. En minder angst betekende alleen dat: minder angst dan op de eerste dag. Bang was hij nog altijd. Op de slaapkamer had hij zijn vaste brokjes, zijn waterbakje en toen ik hem een keer water zag drinken uit mijn glas, zorgde ik ervoor dat het glas altijd voor hem klaar stond.

Dit was een andere Tim dan die ik kende. Al waren we nu uit de herrie van ons eigen huis, hier dreigde het nauwelijks beter te zijn. Google bracht me bij het gebruik van Bach Rescue Remedy, kalmerende druppels van het homeopathische soort. Ik geloofde er niet zo in. De dierenarts evenmin. Maar ik wist geen andere oplossing. Dus begon ik druppels in zijn hapjes te doen. Het kon dagen duren eer het werkte.

Intussen probeerde ik met de ogen van Tim naar de wisselwoning te kijken. Dat trapgat leek me nogal gapend. Ik dekte het af met planken. Misschien zou hij niet op de skaileren bank willen lopen, het was een groot verschil met het ribfluweel dat hij thuis kende. Bij een kringloopwinkel haalde ik oude gordijnen en drapeerde die over de bank. En zou op zijn ooghoogte de gang niet akelig wit lijken? Uit ons oude huis haalde ik kussens van de bank die ik hier en daar in de gang neerlegde. Op de muren plakte ik een reeks knalgele A4-tjes, tussen slaapkamer en huiskamer, zodat hij daaraan houvast zou hebben. Als hij tenminste ooit de slaapkamer zou verlaten. 's Avonds zat ik aan de ene kant van de drempel en Tim aan de andere kant. Ik vroeg hem te komen, tikte op de grond, strekte mijn hand uit. Tim bekeek het en kwam geen enkele keer.

Binnen een week na de eerste druppeltjes geschiedde het wonder. We waren op de slaapkamer toen ik Tim naar de deur zag gaan. Met een lage rug zette hij twee pootjes op, en daarna over de drempel, in de gang. Daarna kwam hij snel weer terug op het bed. Ik aaide hem en prees hem. Het begin was er.

Tim ging verder. Elke avond en ochtend, wanneer het schemerde en ik bij hem was, durfde hij wat meer. Ik kroop over de grond naast hem als metgezel in zijn nieuwe avontuur. Vier pootjes over de drempel en weer terug. Een paar stappen en terug. Halverwege de gang langs de gele vellen en terug. In de huiskamer een stapje en terug. Die druppeltjes deden wat. Ik kreeg weer hoop. Mijn kleine rode kater was herstellend.

 

 

De wisselwoning (1-5)

Zondag 27 december 2015

Door alle problemen die we hadden doorstaan. waren Tim en ik hechter geworden. Voelde hij zich ook maar een heel klein beetje bang, dan liep hij naar me toe om gerust gesteld te worden. Aaien en zacht praten hielp hem altijd. We waren vergroeid tot een twee-eenheid en leefden gezellig in ons veilige huis, waarin niets van de buitenwereld ons kon deren. Eind 2012 ontving ik een brief van de woningbouwvereniging. Ze gingen alle woningen van de straat renoveren. Al snel kwamen er af en toe mannen in huis om de conditie te bekijken. Tim en ik waren geen bezoek gewend. Als de mannen weer weg waren, lagen we samen een paar uur op de bank om bij te komen. Daarna kon Tim weer eten en spelen. Maar ik wist dat iets moeilijks dichterbij kwam.

Tim van de Loo In januari van het jaar 2013 waren de gewone dagen verdwenen. Buiten waren nieuwe geluiden, die de kalmte van de kleine straat vernielden. Bouwvakkers met radio's arriveerden 's morgens vroeg met schreeuwende stemmen en gingen in en uit een bouwkeet. We hoorden boren. Gehamer. Schuurmachines. Er klonken geluiden die we niet begrepen.

Tim en ik raakten er gespannen van. We sliepen slecht. Soms kwam Tim 's morgens vroeg op bed, zijn kop tegen mijn hoofd duwend, vragend om dat rustgevende aaien en praten. Dan wist ik: de mannen zijn er al. Overdag duurde het speelkwartier langer dan voorheen. Hij rende achter de muis-met-het-lintje aan alsof hij weer een kitten was, rolde ermee, zette zijn tanden er diep in, en daarna was hij weer wat rustiger. Maar hij schrok net als ik van elk onverwacht geluid van buiten, en die onverwachte geluiden leken er steeds meer te zijn. We waren de hele dag bang.

Voor Tim wilde ik kalm en sterk zijn. Dat lukte niet zo goed. Ik vreesde voor wat er komen ging, vooral omdat ik niet wist wat dat was. Bij de bouwopzichter voerde ik emotionele gesprekken waarin ik mijn leven uitlegde: creatieve stukjes schrijven, werken aan een proefschrift, het kwetsbare huisdier op leeftijd. Aan de woningbouw had ik slechts een enkele poging tot overleg gedaan, die een einde vond in de hun reactie dat men toch geen lapjes om het gereedschap kon binden. Het was grappig bedoeld.

Een gewone dag bestond uit veel te vroeg wakker worden, aaisessies, langdurig spelen om spanningen tegen te gaan of op te lossen, ademhalingsoefeningen doen om fysiek rustig te blijven en keer op keer Tim verzekeren dat alles in orde was. Die keek dan onzeker naar me op en verdween vaker naar de veilige donkere slaapkamer. In februari ging het mis.

Op dinsdag 11 februari kwam Tim met een gespannen gezicht keer op keer naar me toe om te aaien of spelen. Het duurde al zo lang die herrie buiten. Hij leek of hij overspannen aan het worden was, net als ik. Na weken dapper zijn, hadden we niks meer aan flinkheid over. Tim wilde aldoor geruststelling en ik was aldoor bang. Op donderdagochtend 13 februari om twee over half negen 's morgens donderde er een zware vrachtauto door ons kleine straatje, het hele huis trilde en wij ook. Tim keek naar mij. Ik keek naar hem. "Alles is in orde Tim," zei ik en barstte in tranen uit. Snikkend belde ik de bouwopzichter dat het niet zo verder kon. Het was een kort gesprek, want hij had een oplossing: we konden naar een wisselwoning. Maandag al.

De aanstaande verhuizing gaf lucht, maar ook zorgen. Tim kende alleen deze woning. Daar rook alles vertrouwd, daar kende hij elk plekje en daar had hij zijn veilige ruimte onder het fornuis- ook al paste hij er niet meer onder.
Ik kocht een grote dure klimtoren, die ik thuis neerzette. Vond hij vast fijn.
Ik kocht voor bijna honderd euro Feliway, wat rustgevend zou zijn.
Ik kocht bij de kringloopwinkel tapijten die ik thuis neerlegde zodat ze de thuis-geur zouden opnemen.
Ik besloot het beddegoed niet meer te verschonen, zodat ik een veilige lucht zou meenemen.
En ik maakte een plan. Niet alles hoefde mee. Eerst zou ik van de slaapkamer in de wisselwoning een veilige kamer maken, met beddegoed, tapijtjes, een kattebak met gebruikt grind, brokjes en water en Feliway. Daar zou Tim de eerste tijd kunen blijven. Dan zou ik met een kar en de hulp van een bouwman de grote zware dingen verslepen en daarna zelf kleiner spul. Alles neerzetten, klaar, en dan zelf Tim in zijn reiskorfje overbrengen.

Die vrijdag voelde ik me sterker. Er was uitzicht. Zaterdag was ik druk met regeleb, en met tussendoor Tim aaien die het net zo fijn vond dat er geen herrie buiten was. Zondag verliep vergelijkbaar.

Op maandag sloot ik met pijn in het hart Tim op de slaapkamer op. Verkassen. Tegen de middag kwam ik hem halen. Hij wilde niet in het korfje. Maar hier was het een hel- de klusmannen die in de woning onder de onze werkten hadden die ochtenc een grote ijzeren balk door de gangmuur gestoten, ik kon zo in de keuken van de onderbuurman kijken. Daar zag ik vonken, stof, mannengezichten en ik wist: hier moeten we weg en wel meteen. We gaan, Tim, we gaan nu, straks zijn we weer veilig. De laatste straat oversteken lukte niet. De auto's stopten niet, in het korfje miauwde hij, en ik stond trillend van angst en woede op de stoep, om hem, om de auto's en toch vastberaden hem in de wisselwoning te krijgen.

In de nieuwe slaapkamer opende ik het korfje. Tim sprong eruit en miauwde vreemd rauw. Hij liep rond, zoekend naar een verstopplek. onder het bed, in de kast, ergens moest het veilig zijn - en hij belandde tussen de dekbedden. Die roken vertrouwd. Ik zag geen beweging meer. Wat dit worden moest, wist ik niet.

 

 

Kater op leeftijd

Zondag 20 december 2015

Na alle diagnoses, medicijnen en onderzoeken die we hadden meegemaakt, waren Tim en ik veranderd. Tim hield dieet en had overal kussens en tapijtjes tot zijn beschikking. In 2011 hadden we zijn dertiende verjaardag gevierd. Een senior met een medisch pakketje. Met de ouderdom konden misschien nog meer gebreken komen, dus ik stond op scherp. Het jaar 2012 zag ik met een zwaar hart tegemoet. Tim had zoveel waar ik me ongerust over voelde: artrose, nierproblemen, angstklachten en dan had ik de dierenarts soms iets horen zeggen over een hartruisje en de schildklier. Ddan was er in 2008 nog de ooroperatie geweest met alle moeilijkheden van dien. Als er weer iets aankwam, dan wilde ik er op tijd bij zijn. Ik moest opletten. Grote problemen beginnen klein.

Tim van de Loo Vroeger vertrouwde ik honderd procent op de dierenarts. Nu niet meer. Dankzij het internet kon ik talloze ervaringen lezen van andere poezenmensen. Gaf Tim een piepje dat me niet beviel, dan wist ik drie uur later dankzij honderden websites wat het kon wezen. Als ik geobsedeerd zat te internetten, sliep Tim meestal door. Tenzij hij wilde spelen of aaien. Ik was de grens gepasseerd tussen bezorgd en overbezorgd.

Op kattenfora las ik webpagina's waarop mensen hun ervaringen deelden met de behandeling van hun kat. Medicijnen. Operaties. Anatomische bijzonderheden. Verwijzingen naar nuttige websites, het was een rijkdom aan kennis die ik daar aantrof. Op Facebook begon ik Amerikaanse dierenartsen te volgen. Ik las alles op het gebied van nierklachten, artrose en angsten. Zo worstelde me door verschillende verhalen heen die een voorspelbaar droevige afloop hadden. Dankzij het internet werd ik intens anti-Metacam; de argumentatie voor de aantasting van nieren overtuigde me. Op kattenfora ontdekte ik ook nieuwe medicijnen, die alternatief werden genoemd. De dierenarts geloofde daar niet zo in, zei hij. Maar tegen het gebruik ervan had hij geen bezwaar.

Als ik op deze tijd terugkijk, verbaast het me nog steeds dat ik de beste medicijnen online vond en niet in de medische praktijk. Zo is het ook met medicatie voor mensen. Het alternatieve medicijn lijkt een mindere keus, terwijl het vaak beter werkt.

Dankzij kattenfora had ik bijvoorbeeld Seraquin gevonden, waardoor Tim minder last had van zijn artrose en meer kon eten, waardoor hij wat aankwam. Ook had ik Ipaktinine ontdekt, wat de nierklachten verminderde. Het werkte. Maar zonder dierenarts konden we ook weer niet. Daar kon ik bloedonderzoek laten doen, medicatie kopen en medisch advies inwinnen. En toch verschoof het besef van verantwoordelijkheid naar mij. Ik was de eerste (en laatste) verantwoordelijke was voor het welzijn van Tim. Dus begon ik beter op te letten dan ooit.

Als Tim sliep, staarde ik naar hem. Zou hij een hoge bloeddruk hebben? Of een ontsteking en kon dan antibiotica helpen? Lag hij in de zon te genieten, dan dacht ik dat hij apathisch was en vroeg me in paniek af of het laatste stadium begonnen was. Wilde hij even boven op bed slapen, dan wist ik zeker dat hij zich vanwege een depressie isoleerde. Alles wat hij deed, vond ik verdacht.

Vooral mijn dagboek van mei 2012 toont een opeenstapeling van onrust en ongerustheid. Op zondagochtend 4 mei ben ik ongerust: "Tim bleef te lang boven. Maar met aaien en praten heeft hij uiteindelijk redelijk wat gegeten." Door die twee zinnen weet ik hoe het gegaan moet zijn. Hij naast zijn bordje, ik erbij zittend en zo rustig mogelijk met hem knuffelen, want: aaien leidt tot eten. Een paar dagen later, woensdag 7 mei, begin ik te piekeren. Het is half tien in de ochtend: "Tim is nu boven en niet aan het ontbijt. Heb hem al een paar keer geroepen. Als hij straks komt, dan geef ik hem extra brokjes. Gelukkig heeft hij gisteren goed gegeten. Hij voelde normaal en stevig." Om acht minuten voor twee komt hij uit de slaapkamer om te eten en even op schoot te zitten. Meteen voele ik me minder beklemd. Want eten moest hij, dat wist ik zeker. En verder had ik geleerd: een poes die zich isoleert, daar is wat mee.
Op donderdag schrijf ik hoopvol: "Tim eet al wat", een dag later: "eet ook, maar wat minder" en zaterdag is het: "Vanmorgen was Tim miauwend in de slaapkamer maar lijkt verder in orde." Alles noteer ik, of hij eet, drinkt, miauwt en hoel aa. Ik raak geobsedeerd. Dat komt omdat ik bang ben om hem te verliezen. En ik denk dat ik dat kan voorkomen als ik het eerste signaal van ziekte zie en kan handelen.

Tim intussen leefde zijn gewone leven van huiskater op leeftijd. Wanneer het regende, had hij wat meer last van de artrose. Toen ik de dosis Seraquin verhoogde, voelde hij zich beter. Hij sliep graag in de slaapkamer waar het heerlijk schemerig is. En daar was het misschien ook op een andere manier rustig voor hem. Ik was door de zorgen vaak gespannen, en dat voelde hij natuurlijk. De slaapkamer was voor hem ook een kalme kamer. Maar dat begreep ik later pas.

(Een gedeelte hieruit verscheen eerder in Perspectief, 2012)

 

 

Diagnose artrose

Zondag 13 december 2015

Dat Tim voortaan chronisch patiënt zou zijn, was voor ons alletwee wennen. Tim paste zich als eerste aan. Af en toe keek hij me nog aan, met een onpeilbaar diepe twijfel in zijn ogen. Waar was de aanvoer toch gebleven van al die luxe blikjes, brokjes en hapjes? Dan aaide ik hem net zo lang als hij het toeliet. "Ja Tim," zei ik, "het moet nu eenmaal zo. Want dan kunnen we lang bij elkaar blijven en dat is toch fijn?" Onder mijn hand voelde ik een trilling ontstaan: hij vond het ook fijn.

Tim van de LooMaar ik voelde me schuldig. Want ik wist: Tim begrijpt het niet echt. Hij wist evenmin wat ik wist. Dat nierziekte een ellendig iets is, onvoorspelbaar van karakter, met als enige zekerheid dat het niet overgaat.

Ik hield hem goed in de gaten, bezorgd en overbezorgd tegelijk. Op een dag leek het of zijn stem kleiner werd. Zijn gewone miauws klonken zachter. Wel waren ze duidelijk hoorbaar, vooral wanneer hij me 's morgens ermee wakker maakte. Was het zo of leek het zo omdat ik overbezorgd was? Ik twijfelde. Een week of wat later viel het me op, dat hij meer dan anders op zichzelf was. Of isoleerde hij zich? Dat voorspelde nooit iets goeds. En hij keek me soms zo indringend aan, net of hij iets van me verwachtte. Maar 't kon ook zijn dat ik me dit verbeeldde. Ik durfde hem niet mee te nemen naar de dierenarts, Tim raakte daar altijd gespannen van.

Het duurde niet lang of de vage signalen veranderden in klachten. Alles werd minder: het miauwen waarmee hij contact zocht, het eten van de brokjes en de avondmaaltijd. Zijn verlangen om bij me te zijn was het ene moment dringend - dan wilde hij zacht aaien - en het andere moment afwezig - dan wilde hij met rust gelaten worden. Op de trap liep hij onzeker, en verstapte zichzelf soms. Er was iets aan de hand - waarschijnlijk een achteruitgang van de nieren. Of weer iets anders.

Ik besloot naar de dierenarts te gaan, zonder Tim. Aan de balie deed ik mijn verhaal, van binnen wanhopig. De dierenarts dacht met me mee. Misschien was Tim misselijk omdat zijn nieren achteruit waren gegaan, dat kon Cerenia verhelpen. Ook kreeg ik Metacam om een eventuele pijn door artrose te verdoven. Verder was er niks aan te doen, zei hij. Röntgenfoto's konden zekerheid bieden over die artrose, maar daarmee bestond er nog geen adequate behandeling. Artose en nierproblemen waren typerend voor de oudere kat, hoorde ik. Maar wij zaten er mee en ik was niet van plan Tim er mee te laten leven. Online ontdekte ik het bestaan van Uremyl, dat net als Cerenia misselijkheid tegenging en dat als druppels zonder smaak over het avondeten gegeven kon worden. Smaakloos? Maar de kieskeurige Tim at zijn maaltijd.

De medicijnen die er in zijn avondsnack bijkwamen, leken te helpen. Tim at meer, waardoor ik hoopte: o, hij was dus alleen misseljk geweest. En hij werd weer aanweziger. Dus ik dacht dat we ons gelukkige leven zouden kunnen voortzetten.

Maar de Metacam had bij-effecten. Tim ging achteruit. Online las ik met toenemende ontzetting over de bijwerkingen van Metacam en dat het in Amerika de bijnaam had van Cat Killer. Het had een ongunstige invloed op de nieren - en Tim was juist nierpatiënt. De dierenarts dacht er anders over, want over elk medicijn was wel online een negatieve ervaring te vinden, zei hij. Ik vertrouwde hem niet. Wel de grote hoeveelheid van ervaringen van mensen die hun poezen ziek zagen worden.

Tim bleef achteruit gaan. Hij zat apathisch achter het gordijn, en oogde moe en ouwelijk als hij op de bank lag. Hij keek me minder aan. Het was net of hij aan het wegglijden was. Nou, zei de dierenarts, dat ouwelijke is typerend voor nierpatiënten, en aan de Metacam ligt het niet hoor. Ik dacht aan alles wat ik had gelezen en vroeg dringend om een alternatief voor Metacam. Het werd Onsior.

Al met al kwamen er steeds meer pillen in de avondsnack. Met angst in mijn hart om Tim presenteerde ik de snack zo feestelijk mogelijk. Hij at ook deze keer. De dag erna was hij al wat tieriger.

Terwijl Tim geleidelijk terugkeerde in het land van de levenden, paste ik ons huis aan. Beneden bij de bank legde ik dikke afspringkleedjes neer, bij de verwarming kwam een nieuwe doos, boven in de kast waar hij graag lag te doezelen kwamen dikke handdoeken. Toen ik klaar was, leek het hier half bibiliotheek van de mens en half ziekenboeg van de kat. En ik wist, als er nog eens iets met Tim is, ben ik meer dan voorheen op mezelf aangewezen.

 

 

Hoe de avondsnack ontstond

Zondag 6 december 2015

Aan het eind van 2011 was Tim de trotse eigenaar van een indrukwekkende collectie antieke schoteltjes, elk ervan had ooit deel uitgemaakt van een servies. Het ene schoteltje was gedecoreerd met bloempjes, het andere bezat een gouden randje, een derde zag er innig-oud uit door barstjes en scheurtjes, maar hoe verschillend ook, elk van deze schoteltjes dienden hetzelfde goede doel: de avondsnack aan Tim te serveren. Die bestond uit een mengeling van Gourmet mousse, een beetje lauw water en de inmiddels nodige medicijnen. Tim was tot de diagnose van nierpatiënt in orde geweest. Maar nu lagen de kaarten anders.

Tim van de Loo Eind juni was het begonnen. Er was iets met Tim. Hij moest een beetje overgeven, liep met een lage rug, hij leek wat hangerig en hij wilde minder oogcontact dan anders.

Op een vrijdagavond gingen we naar de dierenarts. Tim stond op de behandeltafel met zijn kop tegen me aangeduwd ("Gaan we nou naar huis?") terwijl ik me schrap zette voor slecht nieuws. De dierenarts zei, dat Tim er voor zijn leeftijd goed uitzag. Zijn gewicht was ook prima: 4.5 kilo. Zijn lichaamstemperatuur werd gemeten - anaal, waar Tim en ik allebei van schrokken - en hij had geen koorts. Maar zijn schildklier was licht vergroot, in zijn ogen had hij een beetje staar ("Net of hij door een melkglas kijkt," zei de dierenarts), er was een lichte hartruis hoorbaar en zijn nieren waren er zoals bekend ook al slecht aan toe. Opeens hadden we een pakket vol problemen. Door het overgeven had hij vocht verloren en dus kreeg hij een infuus. Er kwam een injectie om van op te knappen.

Het werd een onrustige avond. Tim liep in en uit de kamer. Af en toe at hij een brokje. Ik voelde me onzeker.

Op zaterdag leek Tim weer normaal. Eten was geen probleem, overgeven was er niet meer bij. Maar 's avonds was de opknapinjectie uitgewerkt. Hij verschool zich achter het gordijn, net als in zijn eerste tijd bij me. Ik ging erbij zitten smeken: "Tim, zullen we samen op de bank gaan zitten?"
"Kom maar hoor, ik help je wel."
Hij sloop voorzichtig achter het gordijn vandaan. Een klein bang lijfje. We lagen uren op de bank, ik languit en hij op mij liggend, veilig en warm onder mijn handen. Aaien, praten, samenzijn. We waren alletwee van slag. Het leven was opeens vreemd. Zo heel anders dan onze fijne gewoonten van alledag. De ouderdom arriveert schoksgewijs en onverwacht. Je moet wennen. Daarna kun je verder.

Het was op een latere vrijdag dat Tim weer anders leek te zijn. In mijn dagboek noteerde ik wat er gebeurde. Vrijdag 19 augustus: Tim is overmatig aanhankelijk. Moeizaam eten. Zaterdag: hij trekt zich terug. Zondagochtend: geeft een beetje over. Maandag: bij de dierenarts. "Het is waarschijnlijk misselijkheid," zei hij en gaf een injectie Cerenia. Thuis volgden dagen van wonderbaarlijk herstel. Tim at weer en leek stabiel. Die donderdag volgde het tweede bezoek, voor bloedonderzoek. Dankzij het nierdieet was hij vooruitgegaan. Tegen de pijn kreeg hij een injectie Metacam. Had ik toen geweten wat ik nu weet, dan had ik me er met hand en tandtegen verzet; pagina's vol heb ik inmiddels gelezen over de slechte invloed van Metacam op poezendieren.

Thuis volgde wederom herstel en een terugval. Hij zat het liefste alleen achter het gordijn. Een keer toen hj naar boven ging om daar onder het bed te gaan liggen, zag ik hem op de trap struikelen, dat was voor Tim heel ongewoon. Iets was er mis, maar wat? Cerenia haalde misseljkheid tijdelijk weg, die Metacam de pijn, maar we moesten verder zien te komen dan alleen symptoombestrijding. Dankzij de Kattensite.nl bleek de conclsusie voor de hand te liggen. Artrose. De dierenarts kwam ook tot die diagnose. Er kwamen medicijnen: Fortekor om een hoge bloeddruk tegen te gaan, Onsior tegen de pijn en zelf kocht ik het homeopathische Uremyl, tegen de misselijkheid (het is niet meer in de handel). We zaten inmiddels in september.

Die medicijnen moesten elke dag naar binnen. Maar hoe? Al die technieken om een kat te grijpen vond ik niks. Daar zou Tim bang van worden en hij had er jaren over gedaan om dat los te laten. Dan was er een pillenschieter, een soort geweer, bij de aanblik gruwde ik. Ik kocht een Easypill, iets smakelijks waar pillen in verstopt konden worden: alles ging zo naar binnen, stond op de verpakking. Het bleek een loze belofte. Wat erbleef, was afschuwelik: Tim pillen in de bek geven. Binnen een week werd hij schuw, bang voor mij. Ik was wanhopig.

Wanhoop maakt creatief. Hoe ik erop kwam, weet ik niet meer, maar wel dat ik een inzicht kreeg dat reddend bleek te zijn. Een vijzel kopen. Medicijnen fijnmalen. Dat door de Gourmet mousse spatelen. Het betekende een belasting voor de nieren, want dat was zwaar verboden spul. Anderzijds verlengden de medicijnen weer zijn leven. Ik moest kiezen. Het werd de vijzel. Dan maar het risico op iets slechtere nieren.
Bij een Chinese toko kocht ik een klein model vijzel. Die avond stond ik in de keuken om de eerste medicijnsnackt te bereiden. Tim drentelde ongeduldig om me heen, omdat hij iets heerlijks rook. "Nog even wachten," zei ik met een feeststem, terwijl mijn hart zwaar was van de zorgen.

In de huiskamer zette ik het schoteltje met de avondsnack neer. Het wonder geschiedde. Tim at zijn medicijnen op. Op zaterdag 17 september schreef ik: "Tim kan mij weer vertrouwen en zijn veilige plekjes zijn echt veilig, hij kent weer geborgenheid. De angstklachten zijn nu al aan het minderen. Er is minder angst en spanning, er is weer liefde en vertrouwen." We waren weer samen. En ik dacht, nu wordt hij nooit meer ziek.

 

 

Brokje voor brokje

Zondag 29 november 2015

Nog voor de uitslag van het bloedonderzoek binnen was, wist ik dat er een nieuwe fase in ons leven samen aangebroken was. Voorbij was de tijd waarin ik overal kocht waar ik leuke blikjes en lekkere snoepjes zag. Dat mocht niet meer. Tim moest een nierdieet gaan volgen, bestaande uit brokjes, zakjes en snoepjes. Er waren verschillende smaken, elke dierenarts had weer een ander assortiment en in supermarkte lag het goedkope slechte spul, met grove leugens op de verpakkking gedrukt over nieren ontzien. De basis begreep ik snel: hoe strenger ik met het dieet zou zijn, des te langer zou Tim leven.
De uitslag van het bloedonderzoek maakte de zaak officieel. Tim was nierpatiënt. Zijn ene nier was te klein ("Een schrompelnier", zei de dierenarts hardop) en over zijn andere nier moesten we maar optimistisch zijn. De dierenarts zei ook: "Ik geef hem nog een jaar."

Tim van de Loo Op de website van het kattenforum deelde ik dat vonnis, in tranen de woorden tikkend. De reacties waren trefzeker: Of deze dierenarts helderziend was. Nee, ik had bepaald niet de indruk. Het relativeerde.

Op internet ontdekte ik een nieuwe wereld voor katers met een nierprobleem. De foto's waren vaak verschrikkelijk om te zien. Magere beestjes, die wel wilden maar niet konden eten. Ik las verhalen over kieskeurigheid, eten laten staan, overgeven, wanhoop bij de mens en angst bij de poes. Zou dat ons ook te wachten staan? De schrik sloeg me om het hart. En ik wist, Tim vertrouwt op mij.

Het begin van het nierdieet leek tegelijkertijd het begin van het einde. Tim wilde niet eten. Hij keek naar zijn bord, keek naar mij, weer naar zijn bord en liep weg. Keer op keer. Dat moest anders en snel ook.
Ik verzamelde een voorraad aan smaken in het assortiment nierdieet waar een gemiddelde dierenarts rijk van had kunnen worden. Mocht Tim trek hebben in deze of die smaak, dan was dat in huis. Zelf stopte ik uit solidariteit met het eten van de blikjes tonijn, waarvan altijd iets naar Tim was gegaan. Hij niet, dan ik evenmin.

Wanneer als ik zijn bordje met brokjes ging bijvullen, riep ik blij: “Heerlijk! Ja! Hier komen lekkere hapjes aan!” Met de rode voorraadbus danste ik vanuit de keuken naar de kamer, met om mijn enkels een enthousiaste Tim. Maar had ik de brokjes bijgevuld, dan keek hij me teleurgesteld en ietwat verwijtend aan. Had hij zich dáárop verheugd? Nou, lekker. Maar niet heus.
De avondmaaltijd was ook een ramp. Welke smaak zakje of blikje ik ook serveerde, hij bliefde het niet. Hij keek ernaar. Daarna keek hij naar mij. Vervolgens rook hij heel voorzichtig aan zijn eten om dan bedachtzaam weg te lopen.
Mijn theatershow verwisselde ik voor TLC, Tender Loving Care. Bij elke maaltijd ging ik naast het bordje op de grond liggen. Dan zuchtte ik af en toe en zei: “Hè-hè” of “Nou-nou”, dat was voor de ontspannen sfeer. “Lekker hè,” zei ik tegen een wantrouwig kijkende Tim. Diat hield ik avond na avond vol. Liggend op die plek begon ik ook tijdschriften te lezen en een af en toe passerende Tim te aaien. Steeds zong ik hetzelfde liedje. Net toen ik zelf aan de TLC-methode begon te twijfelen, sloeg het aan. Tim at een brokje op. Ik: “Hè-hè”. Tim at twee brokjes op, keek me aan en ik kwam snel met “Nou-nou”, meteen gevolgd door een “Lekker hè.”

Zo ontstond er een nieuwe gewoonte. Aaien en eten, om en om. Aaien leidde tot eten, vrijwel elke keer. Het fijne van het aaien werd het fijne van het eten. En daardoor was er op den duur wat minder aaien nodig. Maar ik bleef erbij als hij at, en dat vond Tim ook fijn. 's Avonds aten we op kleine afstand van elkaar. Hij van zijn bordje en ik een halve meter verderop liggend met de krant, van mijn bord. Regelmatig draaide hij zich even om en keek me aan. Dan knikte ik, en zei: "Goed zo Tim, wat ben je toch een grote eter." Dat wisselde ik af met "Toe dan, nog een hapje. Het kan best." Dan aaien. "Probeer iets meer te eten". Hij at even. Ik draaide zijn bordje om: "Kijk eens". Tim at verder en keek af en toe of ik het wel zag. "Goedzo". In mijn geest maakte ik een beeld van Tim die enthousiast en met smaak zijn bordje leegat en dat probeerde ik naar hem te sturen. Ik denk dat het hielp. Tim at steeds beter.

Maar soms twijfelde hij toch over het nierdieet. Of hij had geen trek, dat kan ook. Maar ik had steeds die woorden van de dierenarts in mijn hoofd en ik wist zeker, hij moet eten. Het kwam een keer voor dat hij zo lusteloos aan zijn brokjes snuffelde, dat ik meteen in tranen uitbarstte, bang voor de laatste fase. Snikkend zei ik: "Tim, eet toch! Je weet dat ik met elk brokje blij ben." Tim keek naar me, naar zijn bordje en at. Welgeteld één brokje. Zo was hij dan ook wel weer.

 

 

De zielzorger

Zondag 22 november 2015

Het jaar 2009 begon beroerd. Op Nieuwjaarsdag werd ik vermoeid wakker, met het besef nog altijd verkouden te zijn. Wat een begin van het nieuwe jaar. De avond ervoor waren Tim en ik veel te laat gaan slapen, het lukte pas toen de ergste herrie van het vuurwerk voorbij leek te zijn. Tim had het beter gedaan dan ik. De hele tijd was hij bij me in de slaapkamer gebleven, met regelmatig op bed springen om geaaid te worden. Elke keer luisterde hij geduldig naar mijn herhaalde verzekering dat wij binnen veilig waren en dat het buiten vat snel rustiger zou worden. Hij wist wel wie ik eigenlijk probeerde gerust te stellen, en dat was hij niet.

Tim van de Loo Die Nieuwjaarsdag sukkelde ik door op dezelfde manier als de tijd ervoor: langzaam en met weinig concentratievermogen. Maar die dag begon het me te dagen dat er de laatste tijd iets nieuws was geweest. Zoals Tim tijdens Oudejaarsavond op me had gelet, zo deed hij eigenlijk dat al langer. Hij had zich ontpopt tot ziekenzorger. Het was een taak, die hij serieus nam.

Op 2 januari voelde ik me ziek toen ik wakker werd. Ik was duizelig, moe, dan weer had ik het te warm, dan weer te koud. Het liefste bleef ik in bed liggen, ondanks het werk dat in mijn computer lag te wachten. Tim vond dat ik moest opstaan, om de loop van de dag te volgen. Hij geloofde in de kracht van gewoonten. Keer op keer kwam hij naar de slaapkamer om op het bed te springen, me onderzoekend aan te kijken en kopjes te geven. Soms begon hij te spinnen, alsof hij wilde zeggen dat er een fijne dag gaande was, en ik alleen op hoefde te staan om daaraan mee te kunnen doen. Een enkele keer miauwde hij vragend. Het was reddingswerk dat de hele ochtend duurde; steeds zonk ik weg in een koortstige slaap om wakker te worden door zijn aandringen. Uiteindelijk stond ik op en ging douchen. Aan tafel voelde ik me beter dan in bed. Dankbaar aaide ik Tim: "Je had gelijk, dankjewel."

In de nacht die later volgde, sliep hij tegen zijn gewoonte in bij me in de slaapkamer. Werd ik wakker, dan was hij dat ook. Aaien, praten, verder slapen. Hij maakte een waakzame indruk.

Het bleef zo. Hij breidde zijn taak zelfs uit. Wanneer ik verdriet had, werd hij van ziekenzorger een zielzorger. Lag ik naar zijn zin te lang te sudderen in gevoelens, dan greep Tim in door troost te bieden van het actieve soort. Ik herinner me een dag vol malaise. Zegeningen tellen hielp niet. Ik maakte een lijstje van alles dat goed en fijn was in mijn leven en moest huilen omdat ik het gewoon niet kon voelen. "O Tim," zei ik, "wat moet ik toch doen?" Hij wist het. Want de grote kleine redder kwam meteen naar me toe en dwong aaien af. Toem wilde hij samen op het tapijt zitten. Hij gaf me veel kopjes en ging daarna voor me heen en weer rollen, mij voortdurend aankijkend met een dwingende blik: "Ik ben er toch, alles komt best in orde." Dat zou hij dagen achter elkaar herhalen. En meer. Er was een avond waarop ik verdrietig naar bed ging en hij even bij me sliep, dichtbij mijn gezicht. Overdag wilde hij vaker op schoot zitten om geaaid te worden. Zat ik uren aan de computer, dan kwam hij soms miauwen tot ik op de bank ging liggen waardoor hij op me kon komen liggen. Zo troostte hij me. Met aandacht en aanwezigheid. En ik knapte op.

Tim bleef evenwel waakzaam. Toen in een terugval had - eigen schuld, te hard gewerkt - kwam Tim weer in actie. Hield ik in bed te lang het licht aan, omdat ik nog zoveel had om over na te denken? Tim sprong meteen op het bed, liep naar me toe en keek me ernstig en onderzoekend aan met een blik die vroeg: "Waar ben je nou mee bezig?" In mijn dagboek schreef ik schuldbewust: "Wat een werk heeft die poes soms aan me."

Zo werd de relatie tussen tussen Tim en mij gelijkwaardiger. We hadden elkaar iets te geven, hij aan mij en ik aan hem. Ik probeerde beter op mezelf te passen, zodat Tim het niet hoefde te doen. Hij ontdekte dat hij meer zeggenschap in het huishouden bezat dan hij dacht en kreeg waarempel meer zelfvertrouwen. Het waren gelukkige tijden.

 

 

Een bobbel op zijn oor (3-3)

Zondag 15 november 2015

Het was op de ochtend van 15 november 2008, dat ik het bandje dat de kap vasthield, losmaakte. Tim begreep het meteen. Hij wrikte al achteruitlopend zijn kopje eruit, en was daarna opeens een kater zonder kap. Het gewicht om zijn nek was weg. Hij had weer voluit zicht. Daar schrok hij van. Zijn ogen werden donker en hij ging achter het gordijn zitten. Verstopt voor nieuwe indrukken. Ik liet hem waar hij was en ging aan tafel zitten tikken. Een vertrouwd geluid, hoopte ik, dat hem het signaal zou geven dat alles in orde was.

Tim van de Loo Die avond leek Tim een beetje gewend aan zijn nieuwe staat van zijn. Hij had over het tapijt gerold, zichzelf gewassen, zowat alles in de huiskamer kopjes gegeven en op de bank geslapen. Ook had hij uit zijn grote waterschaal gedronken, dat kon nu weer. Hij leek zich prima aangepast te hebben. Daarom zette ik de deuren naar de keuken en naar de de slaapkamer open. Tim mocht weer over de trap naar de slaapkamer, als hij wilde. Die nacht sliep ik boven.

Mijn vertrouwen dat het leven weer normaal was, bleek niet gerechtvaardigd. Tim kon weliswaar drinken, eten en traplopen, maar mentaal was hij achteruit gegaan. Ik merkte dat in de dagen na het glorieuze kap-af moment.

Hij leek overweldigd te zijn door indrukken van het huis. In de twee weken dat hij met mij in de huiskamer had geleefd, was hij aan die beperking gewend geraakt. Het huis, dat was de kamer. En nu herontdekte hij de andere kamers. Daar moest hij aan wennen. Riep ik hem vanuit de slaapkamer, dan kwam hij wel maar pas nadat hij voor de drempel had gezeten, alsof hij daar de moed moest verzamelen om naar binnen te gaan. Op de slaapkamer ging hij soms onder het bed liggen, in die donkere veilige ruimte. 's Morgens liep hij snel langs me heen de trap af. Beneden, in de huiskamer wilde hij het ene moment graag en en het andere moment niet op schoot.
Zijn tweede kattenbak had ik onder tafel laten staan en die gebruikte hij bij voorkeur, terwijl voor de kaptijd, de bak op de gang zijn favoriet was geweest. Hij was voortdurend een beetje bang. Wanneer ik hem aaide, kon hij schrikke en dan ontweek hij me.

Het verschil met Tim voor en na de operatie groeide. Vaker verstopte hij zich onder het bed. Hij werd minder aanhankelijk. Ik zette de verwarming hoger, zodat hij zich gemakkelijker kon ontspannen. Het maakte geen verschil. Tim bleef gespannen, wilde schuilen onder het bed of achter het gordijn. Heel geleidelijk begon hij te lijken op de huiskater die hij was geweest, zij het op de kater uit de begintijd en dan met een ander oor. Het zat me niet lekker.

Ik besloot een beetje terug te keren naar de gewoonten van zijn leven met de kap. In zijn gewone doen kreeg hij eens per dag een zakje voeding (naast de brokjes), en dat was tijdens het kap-leven een paar schoteltjes per dag geweest. Dat gaf ik hem weer. En dan uit de schaaltjes, in plaats van schoteltjes. We gingen af en toe op de bank liggen, zoals hij gewend was. Op schoot zitten hoefde hij niet, al probeerde ik het soms. Spelen bleek hij moeilijk te vinden, maar een klein bewegend touwtje vond hij gelukkig wel leuk.

Tim was mentaal terug gevallen, dat begreep ik nu. Tijdens een lange aaisessie legde ik het aan Tim uit, en vertelde hem dat het allemaal in orde zou komen. Ik zei, dat hij tijd nodig had om weer zijn onafhankelijkheid als manpoes terug te vinden. En dat ik hem zou steunen en helpen, maar dat hij het tempo bepaalde. Zoals altijd had Tim de leiding. Zo waren de regels. Hij keek begrijpend. Met hem kon je praten.

Maar het oor was nog echter niet genezen. Ik vond het warm, te warm. Toen ik erin keek, piepte Tim, wat me evenmin beviel. En toen hij iets te veel bleef slapen, wist ik zeker dat het mis was. De dag erop zaten we bij de dierenarts. Spoedafspraak. Toen we terug waren, ging Tim van de zenuwen veel brokjes eten en ik had iets om over na te denken. Met Tim was niets aan de hand. Wel met mij. Overbezorgd en overspannen, had de dierenarts gezegd.

 

 

Een bobbel op zijn oor (2-3)

Zondag 8 november 2015

De kap betekende een grote verandering voor Tim, dat zag ik meteen toen we thuis waren. Hij kon niet meer goed de kamer overzien. Wilde hij opzij kijken, dan moest hij zijn hele kop omdraaien en zelfs een deel van zijn bovenlijf. Dat duurde secondes langer dan het eventjes kijken wat hier gebeurde of wat het geluid daar betekende. Daarbij kwam ook nog, dat hij nu niet meer zo goed zijn evenwicht kon bewaren. Lopen was lastiger. Hij botste nogal eens tegen de kastjes, em dan viel hij van schrik om. Moesten we zo nog tien dagen verder? Had ik de kap voor hem kunnen dragen, dan had ik het gedaan. Ook op straat. Maar het ging niet. Zijn oor moest kunnen genezen en zonder kap zou Tim zonder twijfel de hechtingen losknagen of met een pootje wegstampen.
We moesten dus de tijd uitzitten, hij en ik.

Tim van de Loo De eerste nacht ging het al mis. Tim was on mijn armen gaan liggen. Eén van ons moet bewogen hebben. Tim viel uit bed, schrok en rende meteen naar beneden. Ik was klaarwakker en wist: zolang dit duurde, sliep ik beneden. Daar kon de deur naar de slaapkamer dicht, de kattenbak zou ik ervoor zetten en Tim en ik waren tenminste samen.

's Morgens hing Tim als een klein zwak poesje tegen de verwarming aan en wilde niks. Niet eten. Niet drinken. Geen oogcontact. Bij de dierenarts kreeg hij Metacam (pijnstillers) en morfine. En ik kreeg ook iets: blikjes A/D Hills en een spuitje zonder naald. Van de blikjes aansterkende voeding moest ik lauwe papjes maken door er warm water bij te doen, en die moest via het spuitje aan de zijkant van zijn bekje naar binnen. Het heette dwangvoederen. En dat met Tim.

Thuis zette ik Tim met kap en al op mijn schoot. Voor ons op tafel het schaaltje lauwe pap. "Het is lekker eten, Tim," zei ik dapper, "en het gaat ons best lukken." Ik was bang. Het was of ik hem kwaad deed. Maar het moest. Voor hem. En zoals zo vaak, haalde de nood van Tim iets in mij naar voren waarvan ik niet wist dat het er was. Ik kon doorzetten.

Elk kwartier, daarna per half uur en uur gaf ik Tim lauwe pap. Eerst klemde hij zijn tanden vast op elkaar, zodat er geen spuitje tussen kon. Met aaien, praten en zachte dwang lukte het. Ik zette hem steeds recht op mijn schoot, en dan in kleine doses, gaf ik hem het spul. Het was eet en drink sessie die uren duurde.
Tussendoor leunde hij steeds vaker tegen me. Ik voelde zijn warmte, zijn ademhaling, en vooral zijn overgave aan mij. In die momenten van zorg en overgave verdiepte zich onze band. Toen werden we een stel, dat bestond uit kater en vrouw.

Tim ontroerde me. Hij was ziek, had zo'n moeilijke begintijd gehad en dan toch was hij bereid om weer te gaan vertrouwen. Het is een van de mooiste ervaringen in mijn leven geweest, dat Tim toen op mij steunde. Die avond waren we beiden uitgeput van alle emoties. Hij sliep tegen de verwarming aan en ik lag total loss op de bank. Dat was de nacht van vrijdag op zaterdag.

Op zaterdag was het weer mis. Weer dat hangerige waarvan ik zo'n alarmgevoel kreeg. In de tax reden we naar de weekendarts, waar Tim de behandeltafel onder plaste. Het leek me een daad van verzet tegen de nieuwe injectie en van levenskracht. Ik was trots op hem.

Zijn levenskracht kwam gelukkig terug. Hij at en dronk zelfstandig uit kleine dessertcoupes die ik uit het ouderlijk huis had gekregen. Kleine schaaltjes waren het, die ik op de grond zette en vasthield, zodat ze in zijn kap pasten. Dan zat ik stil bij hem, nabij en op afstand, zodat hij zich veilig voelde. Ik herinner me dat hij een keer op schoot zat en flink naar me uithaalde toen ik begon te aaien. Door de kap had hij mijn hand niet zien aankomen. Ik bloedde flink en het deed pijn, maar ik voelde nieuwe hoop over zijn herstel. Met zoveel pit zou hij het vast redden.

Op woendag 12 november haalde de dierenarts de hechtingen uit zijn oor. Het zag er goed uit, maar er was nazorg nodig. Ik zou zijn oor regelmatig moeten schoonmaken. Ik? Om in zijn gevoelige oor te friemelen leek me precies iets waardoor Tim zou denken dat ik hem toch kwaad wilde doen. En ik wilde juist zijn veilige mens zijn. We gingen dus een paar keer naar de dierenarts.
Ook zonder de hechtingen moest hij nog de kap dragen. Op zijn oor zaten kleine wondjes die snel puntjes werden. Hij schudde soms met zijn kop. Misschien kriebelde het een beetje. We woonden inmiddels alletwee in de huiskamer, alsof er geen slaapkamer meer bestond. Op de bank hielden we lange zachte aaisessies, waar we alletwee troost in vonden.

Die zaterdag werd ik wakker en zette mijn laptop aan. In Amerika had Barack Obama de verliezingen gewonnen. Wat een historische dag. Van mij mocht Tim zijn kap af. Ik maakte het wat losser. Tim begreep vlug wat de bedoeling was, en wrikte zijn kop uit de kap. Binnen enkele minuten was hij weer een vrije jongen. Zijn oor hing er geknakt bij. Maar verder was alles weer normaal. Tenminste, dat dacht ik toen.

 

 

Een bobbel op zijn oor (1-3)

Zondag 1 november 2015

Meteen toen ik op zijn linkeroor die bobbel ontdekte, wist ik dat het mis was. Dit ging niet vanzelf weg, zo zag het er niet uit en toch of eigenlijk juist daarom hoopte ik er toch op. Tim was nooit meer het huis uit geweest sinds hij er in 1998 was gearriveerd. De bobbel verscheen in 2008, dus in die tien jaren zal hij hebben aangenomen dat het huis de wereld was, en dat daarbuiten niets bestond. Maar deze bobbel betekende dat we naar de dierenarts moesten. Het huis uit.

Tim van de Loo Ik zette het korfje in de kamer en keek rond naar een verdwenen kater. Tim was meteen weggerend, hij herkende het korfje van de thuiskomst. Hij was bang. Hij wilde er niet in. Ik evenmin. Maar het moest, het moest. Alleen wist ik niet hoe. Hem opjagen? Nee. Maar met zachtjes praten en benaderen lukte het evenmin. Voortdurend bleef hij uit mijn handen. De tijd tikte verder.
Wanhopig werd ik ervan. In de huiskamer stond het meubilair alle kanten op. Tim zat hijgend achter de kastjes verscholen en ik stond met mijn voorhoofd tegen de koele muur geleund. Juist die wanhoop gaf kracht. Op de een of andere manier heb ik hem achter de kastjes vandaan gehaald en "Het is voor je eigen bestwil, Tim" in het korfje gekregen. We gingen.

"Dat is een bloedoor," zei de dierenarts. "Pech. Je moet het laten ontwikkelen, dan komt er bloed in en pas dan kan ik het doorprikken. Die kat moet wel geopereerd worden, anders kan het terugkomen." Hij legde de situatie uit met woorden als "verschrompelen", "bloemkooloor" en "doorstikken". 's Morgens vroeg moest ik Tim brengen, erbij blijven mocht niet en 's middags mocht ik telefonisch informeren waarnaar ik hem kon ophalen. Dan moest Tim wel tien dagen een kap dragen. Voor de dierenarts was het iets kleins.

Thuis zocht ik het officiële diagnosewoord op. Othaematoom. Het ging inderdaad niet vanzelf over. De kap leek me nog het minste van alle kwaad. Die operatie het meeste en vooral dat Tim en ik van elkaar gescheiden zouden zijn. Hij daar in een hokje bij de dierenarts zeker. Ze kenden hem daar helemaal niet. Zouden ze wel lief voor hem zijn, op de manier die hij fijn vond? En hoe zou Tim het ervaren, om na tien jaar op mij kunnen rekenen in ons samenwonen, opeens ergens anders te zijn? Als hij maar niet zou denken dat ik hem weggedaan had. Ik wilde hem uitleggen dat ik hem nooit in de steek zou laten, maar ik wist niet hoe.
Elke dag werd het bloedoor wat groter, en dan aaide ik mijn katertje met betraande ogen.

Op de operatie dag zelf was Tim de sterkste van ons tweeën. Hij liet zich gewoon brengen. Mijn kracht was snel op. Het lukte me om hem zogenaamd kalm en vastberaden in het korfje zetten, ik slaagde erin het pand van de dierenarts te bereiken, en met een vriendelijke stem te zeggen: "Tot straks hoor Tim." Op het moment dat ik de deur van de kliniek achter me sloot, begonnen de tranen te stromen. Als hij maar niet bang was. Als hij maar niet naar me zocht. Thuis was het veel te leeg. Pas 's middags mocht ik bellen, hadden ze gezegd. Ik weet nog niet, hoe ik de uren ben doorgekomen. Alles in mij verlangde naar die kleine rode kater.

"Het is prima gegaan," zei de assistente aan de telefoon. "U mag voorzichtig komen kijken." Ik had mijn jas al aan.

In de kliniek zag ik Tim die in een soort couveuse uiterst ontspannen lag te slapen, recht onder een warmtelamp. Om zijn hoofd zat een kap. Ik kreeg een uitvoerige uitleg over het schoonmaken van het oor, de hechtingen van de operatie, over jeuk en over het moment waarop de kap afkon. Op alles zei ik ja en amen, want ik wilde weg, naar huis, samen.

Bij thuiskomst was Tim nog steeds ontspannen. Toen ik het korfje opende, bleef hij er gewoon in liggen. "Tim, kom je? "vroeg ik met bange stem. Hij kwam. Langzaam en moeizaam stapte hij eruit. Hij wilde lopen. Het ging moeizaam, want de narcose zat nog een beetje in zijn lichaam. Daar kreeg hij binnen een paar stappen de zenuwen van. Niks rustig aan doen. Lopen, lopen. Onder de tafel, langs de bank, bij de verwarming onder het raam, hij zwalkte heen en weer, de kap botste overal tegenaan, maar ophouden kon hij niet.
Toen zag hij de deur naar boven. Meteen erdoor, met grote sprongen de traptreden over en in de slaapkamer meteen onder het bed. Daar was het donker en veilig, dat wist hij nog van vroeger. Ik zette er wat water en brokjes bij.
We moesten alletwee bijkomen van dit grote avontuur.

 

 

Omgaan met bezoek

Zondag 25 oktober 2015

Tim was niet gemakkelijk met bezoek, of misschien juist wel. Hij wilde het niet. Punt. Uit. Net als ik was hij het gelukkigst wanneer we samen waren. Over elke man in mijn leven deelde hij de mening die Amore voor hem had gehad: de kater stond op de eerste plaats en pas daarna kwam de man. Ze hadden gelijk. De kater wint altijd.

Tim van de Loo De eerste keer dat Tim ontdekte wat bezoek betekende, was toen mijn moeder hier kwam. Tim woonde toen nog onder het fornuis en leek niet van plan die veilige ruimte te verlaten. Ik had mijn moeder natuurlijk veel verteld over het bange katertje waarvoor ik zo'n zwak had en ze wilde hem graag zien. Kwam hij niet naar haar, dan zou ze naar hem komen. Op veilige afstand van het fornuis knielde ze op de keukenvloer en gluurde door het gordijntje. Daar zat iemand. Maar die wilde niks. Ze zag een schaduw en stond op.
Ik voelde me opgelucht, want ze wist nu tenminste dat ik hem niet verzonnen had.

Met bezoek was en bleef ik zuinig. Liever niet dan wel, was het devies, en dat kwam Tim goed uit. Jaren achtereen, wanneer er af en toe monteurs in huis kwamen, liet Tim zich nooit zien. Hij verstopte zich. Waren ze verdwenen, dan sloop hij behoedzaam de huiskamer in. Daar zag hij mij gestrekt op de bank liggen, moe van de aanslag op de zenuwen die het monteurbezoek had teweeg gebracht. Een goed voorbeeld voor hem was ik bepaald niet.

Zoals eerder gezegd, had ik soms verkering. Dat leverde thuis spanningen op. Amore kon elke man zowat het huis uitkijken met zijn minachtende blikken. Tim had zijn eigen methodes.

Tim was al een paar jaar bij me, toen de verkering iets bij de afhaalchinees had gekocht. Zelf at en eet ik vegetarisch, dus daardoor had Tim op mijn bord dat ene nooit aangetroffen wat de verkering wel had: een kipkluifje. De geur moet onweerstaanbare krachten hebben gehad. Tim stond opeens voor de bank waarop de man met zijn kipkluifje zat. Tim staarde naar de bron van het heerlijks. De man keek terug en gooide wat kip naar Tim. Die at het meteen op en liep snel weg, vrezend dat ik het zou verbieden, en dan had hij de buit alvast lekker binnen.
Toen heb ik even gedacht, dat ik beiden in mijn leven kon hebben, man en kater.

Een latere verkering was minder aandacht gegund. Kwam deze man de huiskamer in, dan verliet Tim prompt op een drafje het vertrek. Roepen en smeken hielp niets; hij wenste niet in de kamer te zijn waar de concurrent zich bevond.
Na zijn vertrek kon ik me natuurlijk niet meer op de concurrent concentreren. Voortdurend dacht ik aan Tim, waar hij zou zijn, hoe hij zich zou voelen en of ik even moest gaan kijken. Was de man weer weg, dan verscheen Tim alsof er niets gebeurd was. Voor kip meebrengen voelde de man in kwestie niets. Beiden gaven niet toe. Toen bleef deze man definitief weg. Tim voelde zich weer wat gelukkiger en ik daardoor ook. Trouwens, kip is altijd onvoldoende om een verkering in stand te houden.

We bleven moeite met bezoek houden. Toen de woningbouwvereniging twee mannen stuurden die het huis op asbest moesten onderzoeken, liet ik ze pas binnen toen ze beloofd hadden om zachtjes te lopen en te praten, dit met het oog op Tim. Ze gehoorzaamden. Bijna terloops wees ik ze op mijn zelfgemaakte huisreglement, dat aan mens en kater dezelfde rechten toekende, waarmee Tim gevoelsmatig de respectabele positie van huishuurder bezat. Hij bleef echter achter de gordijnen zitten gedurende het gehele bezoek.
Op latere leeftijd werd Tim iets milder. Eens zette een man in de huiskamer een trap neerzette om zo een kroonluchter aan het plafond te bevestigen. Achter de kastjes zat Tim en hij keek toe, zonder weg te schichten. Hij was wel gegroeid.

Gemakkelijk werden de bezoeken voor ons nooit. Nadien gingen we samen op de bank liggen, om bij elkaar rust en ontspanning te vinden. Aaien en praten, spinnen en kijken.
"Nu is alles weer goed, hè Tim?"
Hij knorde tevreden.
"Zullen we met de muis gaan spelen?"
Dat wilde hij graag. De gordijnen deed ik dicht. Buiten was weg, binnen bestond alleen onze tweepersoonswereld. De normale gang van zaken moest hersteld worden. "Fijn, samen Tim." We waren het eens. Samen was het beste.

 

 

Muis in huis

Zondag 19 oktober 2015

Het begon op een gewone dag tijdens een gewone week. Op de grond lag iets vreemds waaruit twee antennes staken. Omdat ik slecht zie, moest ik vooroverbuigen om te zien wat het was. Dichtbij gekomen schokte ik meteen terug. Ik zag een muis met pootjes, die doormidden gesneden was met de zorgvuldigheid van een keurslager. Tim keek mij trots aan, wachtend op het compliment. Bang zei ik: “Goed zo, hoor” en verwijderde het halve lichaampje.

Tim van de Loo Twee dagen daarna kwam Tim de huiskamer binnen. Tussen zijn scherpe poezentandjes droeg hij een levende muis. Het dier bewoog. Naast mijn werktafel ging Tim met zijn prooi op het tapijt liggen - gezellig bij zijn eigen mens - en begon ermee te spelen. Langzaam kraakte hij het muizenschedeltje. Ik kan veel verdragen in ’t leven, maar dit geluid, neen. Met mijn gezicht naar de muur gekeerd belde ik een stoere vriendin voor praktische bijstand. De vriendin kwam en nam de muis mee, om het beestje een eervolle begrafenis te geven in de natuur, ver van mijn huis. Nog geen dag later ving Tim een ander lid van de muizenfamilie.

Zo begon zonder enige aankondiging een nieuwe fase in ons samenwonen. Ik begreep er niets van. Tim kwam vrijwel overal in huis, dus je zou verwachten dat muizen door zijn geur en aanwezigheid afgeschrikt zouden worden. Het kon gewoon niet waar zijn dat er muizen in huis waren. Maar het was wel waar. Al snel was ik ten einde raad. Steeds verscheen er uit het niets een muis, dan kwam weer Tim in actie, en klonk er afschuwelijk gekraak en gepiep in dit anders zo rustige huis. Ik zat elke keer met mijn gezicht naar de muur, tegen beter weten in hopend dat het niet waar was. Overal in huis vond ik het onveilig en griezelig. Wat te doen, wat toch te doen?

Wat me ook van slag bracht, was dat ik een heel andere Tim zag verschijnen dan de huiskater die ik kende. Ik dacht dat ik al het oer de afgelopen jaren eruit geknuffeld had. Hoe bang was hij geweest toen hij pas bij me was, en hoe langzaam was hij me genaderd. Alles had hij moeten leren, aaien, spelen, kniffelen en het was gelukt. In mijn ogen was hij een lieve knuffeljongen geworden. En nu dit. Dat vrolijke koppie, die slagersmentaliteit, het jagersinstinct, die wreedheid. Een oergevoel was kennelijk ontwaakt en had de kansen gegrepen die het zag.

Het was meer dan ik kon verdragen. Elke keer wanneer Tim had toegeslagen, belde ik iemand van het muisalarmteam. Dat bestond uit twee, drie mensen van wie er altijd wel iemand bereid was om mij te komen ontzetten. Want dat moest. Altijd zat Tim met zijn prooi op het tapijt, en ik rechts van hem aan mijn werktafel, met de telefoon onder handbereik. Bij het geluid van de deurbel hopte ik op de bank, liep erover heen met mijn gezicht naar de muur en bereikte zo de trap naar beneden waar bij de voordeur reddingwachtte.

Tim had de tijd van zijn leven. Ik niet. De zaak liep uit de hand toen ik, net uit bed komend, in de huiskamer bijna op een dode muis stapte. Het diertje lag daar met alle pootjes tegen zich aan geklemd. Uitgeput. Het was zonder meer zielig, en ik begon dat ook te worden. In de Gouden Gids vond ik een familiebedrijf dat muizen bestreed. Ze kwamen meteen, beloofde een begrijpende man. Ik ging zitten en wachtte.

Om samen met een dode muis in de kamer te zijn, moet je sterke zenuwen bezitten. Die heb ik niet. Met moeite legde ik een krant op de muis, en toen was ik alweer overstuur. Ik weet nooit zeker of dood echt dood is, en wat muizen zullen doen als ze vol paniek uit hun coma ontwaken. Vast naar mijn ogen springen. Heus, het gezond verstand verdwijnt als er een roerloze muis naast je ligt.

De muizenmannen arriveerden. Vader en zoon. Beiden nuchtere types, die jaren in het vak zaten. Ze keken mij aan en verdeelden stilzwijgend de taken. De vader sprak mij kalmerend toe, de zoon ging het huis verkennen.
“Dit jaar zijn er veel muizen,” zei vader, “de kou hè, dan willen ze naar binnen, en ze lusten ook poezeneten, hoor. Haalt u dat nou weg. Weet u trouwens dat er een kakkerlak bestaat die zichzelf voort kan planten? Dus u begrijpt juffrouw, muizen zijn zo erg nog niet.” Toen kwam de zoon terug om met zijn vader de huiskamer te inspecteren. Ze zetten overal gifdozen neer. Ik zweeg.

Tim moet teleurgesteld zijn geweest. In mij, in het huis zonder muizen. Het knuffelen voelde even anders, voor ons allebei.

(Delen hieruit publiceerde ik in twee columns in de Haagsche Courant, februari 2003)

 

 

Helpen met het bed

Zondag 11 oktober 2015

Tim deed nooit veel in het huishouden, maar wanneer ik de lakens van het bed ging verschonen, kon ik altijd op hem rekenen. Ik ging als eerste naar boven en binnen de kortste keren was hij erbij. Hij hielp graag.

Tim van de Loo Ik begon met de drie eenpersoonsdekbedden van het bed te gooien, en de hoezen eraf te stropen Tim zat op de slaapkamervloer toe te kijken en geduldig te wachten op zijn moment. Dat kwam wanneer ik met het hoeslaken worstelde. Het bed is groot, zo'n 2.20m bij zeker 1.80m, dus het hoeslaken vervangen is nogal een klusje. Het laken om de eerste mastrashoek doen, is geen probleem. Om de tweede, evenmin. Bij de derde matrashoek moest ik een beetje aan het laken trekken. Precies dan sprong Tim op bed, om juist op die hoek te gaan staan.
"Tim!" zei ik elke keer, " ga toch eens opzij, jongen."
Hij stapte opzij, tevreden over de aandacht.
De laatste en vierde matrashoek was het moeilijkste, maar ook die lukte, ondanks het herhaaldelijk naderen van Tim die juist op die hoek wilde staan met allevier zijn pootjes. Het hoeslaken zat erom. Tijd voor de pauze.

Zogenaamd uitgeput liet ik me op het bed neervallen. Tim zat tegenover me. We keken elkaar aan. Het begon, wisten we.

Langzaam en licht grommend kroop ik op hem toe, en hij liep met trage pas over het bed heen, naar mij toe. In het midden botsen we. Ik duwde mijn lichaam zachtjes tegen het zijne. Hij liet zich vallen, rolde om en bleef stil liggen, waarna ik hem aaide en hij begon te spinnen.
"Nog een keer?" Na een paar keer bleven we gewoon liggen. Hij op zijn zijde met de pootjes uitgestrekt en ik in dezelfde houding, die ik van hem kopieerde. We keken af en toe naar elkaar. Ik zei: "Fijn hè, Tim, zo samen." Hij vond het ook. Zonder die dekbedden en kussens leek het bed ontzaglijk groot. Een speeltuin voor ons beiden.

Meestal was Tim degene die er als eerste genoeg van had en zijn bijdrage voldoende achtte. Hij vertrok naar beneden om daar een brokje te eten. Ik trok nieuwe hoezen om de dekbedden, gooide de kussenslopen op het bed zodat ik dat 's avonds laat kon doen, en ging ook naar beneden, om verder te computeren. En uiteraard om Tim te aaien en te bedanken voor zijn hulp. Hij keek me altijd uiterst tevreden aan, wetend dat hij onmisbaar was.

Op een middag besloot ik het grote matras om te draaien. Dat voorkwam doorligplekken, had ik gehoord. Ik had een methode uitgepuzzeld, die erop neerkwam dat ik het matras van het bed liet afglijden zodat het tegen de muur stond, daar zou ik het onderste deel optillen door eronder te zitten en op te duwen, en zo zou ik het kantelen waarna het weer op bed zou liggen. Kon niet misgaan. Alleen was het matras aanzienlijk zwaarder dan ik dacht. Ik zat eronder en had het net van de grond af geduwd, toen ik in mijn linkeroog een beweging zag. In de deuropening zag ik een nieuwsgierig poezenhoofdje dat de situatie probeerde te peilen.
"Ja Tim," zei ik, " het lukt even niet zo goed."
Meer had hij niet nodig. Vastberaden liep hij op me af en sprong sierlijk recht op het matras. Tim begon tamelijk luid te spinnen. Ik zag mezelf zitten, de vrouw onder het matras waar een kater op stond, en moest lachen.
"Tim, wil je er alsjeblieft even af gaan?" Hij wilde pas na herhaaldelijk vragen en na schudden met de matras. Hij wilde gewoon helpen en hulp was hier hard nodig, dat had hij gezien. Maar 't was graag of niet, vond hij, en dan maar niet.
Uiteindelijk is het omkeren nog gelukt. Gelukkig hoeft zoiets niet vaak.

Samen op het bed was een knusheid die me elke keer weer verwarmde. Met mensen doe ik nooit zo gek. Met Tim durfde ik het wel. En een klusje dat in principe een kwartier had hoeven te duren, nam daardoor minstens een half uur of langer in beslag. Ik hou van efficiënt, van nuttig bezig zijn en vooral van opschieten. Maar het bed verschonen samen met Tim, dat was iets van een andere orde. Samen was hier belangrijker dan snel resultaat boeken. En Tim was elke keer weer tevreden over zijn bijdrage want ja, het matras was dik, het laken groot, hij wist wanneer hij nodig was, en zoals gezegd, Tim hielp graag.

 

 

In de badkamer

Zondag 4 oktober 2015

Elke ochtend leek op de vorige. In de keuken zette ik een pannetje melk op voor de koffie en daarna stapte ik de badkamer in. De douchekraan zette ik meteen wijd open. Lekker, stoom. Voor Tim was het ochtendritueel een probleem. Hij wilde bij me zijn maar niet in de stoom. Hoe dat moest, wist hij niet. Ik evenmin. Dus herhaalden we onszelf. Dat ging zo.

Tim van de Loo Nadat ik de douchekraan had opengezet, ging ik op de wc zitten. Daar had Tim op gewacht. Hij wurmde zich door de deur die op een kier stond, zette een paar poezenstapjes en was toen waar hij wezen wilde. Voor mij, gezicht richting douchegordijn. Waar hij voor kwam, was duidelijk. Ik boog me voorover en aaide hem met twee handen tegelijk, in stereo zogezegd. Ik voelde me een beetje raar in die houding, maar ja, er was niemand die het zag en Tim vond het nu eenmaal fijn. Het aaien duurde tot de stoom in de badkamer zo dik was, dat Tim het vervelend begon te vinden en onrustig werd. Hij wilde weg, naar de huiskamer. Dat ik niet zou meegaan, begreep hij wel. Ik aaide zachtjes door. Wegwezen hier, besloot Tim, en glipte door de deur.

Die deur mocht ik van hem niet dicht doen. Sloot ik die toch omdat het zo tochtte, dan hoorde ik tegen de andere kant een pootje ongeduldig schrapen. Open, doe open, schiet op. Zelfs wanneer ik onder de douche stond, gehoorzaamde ik. Misschien was er iets aan de hand, dacht ik dan, je kon niet weten. Met de deur op een kier was hij tevreden. Nooit wilde hij bij nader inzien naar binnen. Hij wilde gewoon de keuze hebben, elk moment. Ik leerde smokkelen. De deur niet dicht, maar toe. Meestal werkte het.

Wanneer ik te lang onder de douche stond, hoorde ik aan de andere kant van de deur klachten. Een lang klaaglijk roepen met een toon erin die aandacht afdwong. Dan sjorde ik een handdoek om het lijf, duwde de deur open - klaar om me in noodtempo aan te kleden en met hem naar de dierenarts te gaan - om in een nieuwsgierig poezengezicht te kijken, dat zich in de huiskamer bevond.
"Hè Tim," zei ik dan. "Ik ben er toch, waar denk je nou dat ik heenga zo?"
Tim keek terug dat hij gewoon zeker wilde weten.
Ik: "Nu ga ik verder douchen." En dan bleef het stil. Zo lang deed ik er trouwens niet over.

Voor Tim was de badkamer overdag overzichtelijker en soms zelfs aantrekkelijk. Er was geen stoom en ik zat er, vanuit het perspectief van de kater, als het ware te wachten tot hij zich kwam laten aaien. Daartoe was hij in zijn goedheid altijd genegen. Echt alleen op de wc was ik haast nooit. Een pootje, een lijfje, een miauw, hij wilde erbij zijn.

Op de badkamer stond zijn tweede kattenbak, de minst favoriete. Toch leidde die ondergeschikte voorkeur tot het intiemste badkamermoment dat ik ooit met een ander gedeeld heb, mens of kater.
Ik zat op de wc toen Tim erbij wilde. Natuurlijk. De deur duwde ik wat verder open. Hij kwam voor me staan en ik aaide hem. Tot mijn verbazing liep hij naar de kattenbak. Hij stapte erin, groef wat tastend rond met zijn pootjes en nam positie in. Met een strakke blik keek hij langs me heen. Ik deed hetzelfde. Niet bewegen, roerloos blijven en de ogen vestigen op een punt in de verte. Er heerste een diepe stilte. Toen hoorde ik een paar plopjes op het grind vallen. Even wachtte hij en toen begon hij te graven. Nog steeds zat ik in dezelfde houding, bang om hem te storen en ik miste het dat ik zelf geen grind had. Klaar met graven, liep hij snel langs me heen de badkamer uit. Ik deed wat mensen doen op de wc en trok daarna door.
Of Tim er hetzelfde aan heeft beleefd als ik, weet ik niet. Voor mij was het door het ongewone ervan een nieuwe manier van samenzijn, een bewijs eens te meer dat hij zich bij mij veilig was gaan voelen.

Bij deze ene keer is het gebleven. Voortaan gebruikte hij weer de andere bak waarin hij eindeloos lang kon blijven graven.
Gek van het geluid riep ik dan: "Zo kan het wel hoor."
Dan hield hij op en keek me verontwaardigd aan.
Ik: "Ja, sorry hoor, het werkt op mijn zenuwen."
Tim wendde zijn kopje af en keek verontwaardigd weg.

Ja, zo waren we ook. Een kibbelend stel.

 

 

Luxe jaren

Zondag 27 september 2015

In mijn dagboeken zijn er jaren waarin ik nauwelijks over Tim schrijf. Af en toe is er een zinnetje, soms staat er een langer stukje. Tussen de regels door lees ik dat het vanzelfsprekende van ons samenzijn groeide, en hoe het tussen ons geleidelijk steeds knusser werd. Er ontstond een nieuwe situatie, waarin een liefdevol samenzijn normaal was. Het waren jaren waarin elke dag op de vorige leek. Tim was er altijd en ik wilde dat het zo zou blijven. Wat het verstand weet, wil het hart niet beseffen. Daarom vierde ik op 5 mei elke keer zijn vijfde verjaardag. Al binnen een paar jaar zou ik niet beter weten, of willen weten, dan dat Tim vijf jaar was. Een jonge kater.

Tim van de Loo Nu ik mijn leven met Bertje deel, waardeer ik het dagelijkse leven meer. Een paar dagen geleden stond hij naast mijn werktafel en keek me dringend aan, miauwend. Ik vroeg: "Waar heb je behoefte aan?" Dat liet hij zien. Hij ging op de krant liggen en keek me nogmaals aan: ik moest erbij komen, hij wilde samen hangen. Ik ging naast hem liggen. Bertje begon te spinnen. Op zijn buik zag ik het donzige wit trillen. Zo lagen we. Niks zeggen, niks doen, samenzijn. Hij stond op en liep naar zijn bordje, ik keek hoe hij een paar brokjes at, terugliep en weer bij me neerplofte. Toen hij minuten later in de vensterbank sprong om de overburen te begluren, ging ik verder computeren, met een zacht gevoel in mijn hart. Dat deze kater verlangde naar mijn gezelschap, maakte me blij.

Om op de dagboeken terug te komen, neem ik als voorbeeld het jaar 2000. De nieuwe eeuw is pas begonnen. Op woensdag 5 januari schrijf ik "Tim is erg lief, knus, nabij", maar het waar en hoe ervan laat ik weg. In februari is er geen enkele aantekening over Tim. De navolgende maanden wel; herhaaldelijk noteer ik dat we samen op de bank liggen. Op dinsdag 14 maart heb ik een akelige droom gehad, waaruit Tim me wakker maakte: "gaat naast mijn hoofd liggen, knorren, een pootje over mijn hand, duwt zijn hoofdje tegen mijn wang" en erbij schrijf ik: "allertederst en heerlijk". Hij let kennelijk op me. Dat betekent een behoorlijke toenadering van Tim, maar dat leg ik niet verder uit.

Steeds vaker komt Tim 's nachts bij me. Daar schrijf ik in december over. Op donderdag 7 december: "Tim komt 's nachts tegen mij aan slapen. Hij drukte zich dicht tegen me aan en toen ik na de eerste verrassing na tien minuten bewoog, knorde hij verontwaardigd hij sliep al. Erg prettig. Ging gisteren wat slapen betreft ook al beter. Hij komt en gaat, maar verlangt meer aandacht en geknuffel, heerlijk, meer samenzijn." Op vrijdag 22 december: "In de nacht wakker gemaakt door Tim die een hevige aanval van liefde had: diep ronken en mij kopjes geven. Erg fijn, dat heb ik ontvangen en toen ben ik weer gaan slapen."

We werden een stel, bestaand uit kater en vrouw. 's Morgens wandelde hij met een fier opgeheven staartje de slaapkamer in en sprong op bed voor het goedemorgen-aaien. Beneden kreeg hij verse brokjes, ging op de bank slapen of naar mij kijken als ik aan de computer begon te werken. Gedurende de dag speelden we vaak met een lintje of een balletje. Hij was goed in oogcontact geworden. Mij recht aankijken en aangekeken worden vond hij zelfs fijn. Regelmatig kwam hij bij me op schoot zitten. We lagen graag samen op de bank te knuffelen. Aaien vond hij zo heerlijk dat er vocht uit zijn bekje drupte. Werd het hem toch te veel, dat piepte hij even. Het bijten uit de begintijd was zo goed als verdwenen. 's Avonds kreeg hij weer eten en ik at dan ook, achter hem, met voor me op het tapijt de krant uitgespreid. Later op de avond speelden en knuffelden we, en dan was het alweer tijd om te gaan slapen. Na de nacht kwam de ochtend en dan begon een dag die opnieuw en vanzelfsprekend knus zou zijn.

Luxe jaren waren het, vol gewone dagen die zo bijzonder waren.

 

 

Onze nachten

Zondag 20 september 2015

De nieuwe treden op de trap openden de bovenste etage voor Tim, en daarmee ontstond een nieuwe manier van samenwonen. Zijn voorzichtige verkenningstochten naar de slaapkamer groeiden uit tot gewone bezoekjes, die hij maakte als het hem uitkwam. Vaak werd ik 's morgens in delaapkamer begroet door een vrolijk staartje, dan had Tim veel zin om aan de nieuwe dag te beginnen. Het gebeurde een enkele keer tot mijn verrassing, dat ik wakker werd doordat een klein warm lijfje zich uit mijn armen wurmde en haastig de kamer verliet, op de vlucht voor al te veel intimiteit. Ook raakte ik Tim soms overdag kwijt: niet in de kamer, niet onder het fornuis, waar kon hij dan wel zijn? Het antwoord was boven, tevreden slapend op het dekbed, dat grote zachte geheel in een schemerige kamer.

Tim van de Loo De slaapkamer bleek voor Tim het ideale terrein om nabijheid met mij te oefenen, vooral als ik sliep, slaperig was of deed alsof. Dan wist hij zeker dat ik langzaam was. Daar kwam nog bij, dat ik in liggende houding voor hem letterlijk overzichtelijker was. Eigenlijk denk ik dat hij zich hier durfde te laten kennen, in zijn grote verlangen naar liefde.

Er was een avond waarop hij bij me in het bed sprong en tegen me aan kwam liggen. Ik voelde me verbaasd en blij en durfde pas na minuten stil liggen te bewegen. De reactie kwam meteen: een verontwaardigde knor, want hij sliep al. In diezelfde tijd werd ik eens wakker door een luid spinnende Tim die me kopjes gaf; of het de bedoeling was dat ik ontwaakte, weet ik niet zeker. Tim wilde nogal eens in mijn rechterarm liggen, maar dan mocht ik me van hem niet meer omdraaien. Dat was moeilijk. Deed ik het toch, dan beet hij me, sprong van het bed en keerde vrijwel meteen weer terug.

In de loop der tijd ontwikkelden we slaapkamergewoonten, zoals samen televisie kijken. In de hoek van de kamer stond het toestel en vaak was er iets dat we alletwee leuk vonden. We hebben veel herhalingen van Star Trek gezien. Ik in bed, hij op het dekbed en dan aaide ik hem terwijl ik af en toe uitlegde wat er gebeurde. Dat hij erbij in slaap viel, vond ik niet erg. We keken ook vaak naar Sex and the City. Daar werd ik meestal onrustig van omdat mijn eigen leven weinig voor leek te stellen in vergelijking daarmee, dus dan lag ik lang te piekeren. Aan Tim kon ik uitleggen wat me dwars zat, op zachte toon, en als ik erbij aaide, voelde ik zijn zachte spinnen door mijn hand naar mijn hart gaan.

Zijn aanwezigheid in de slaapkamer kwam me niet altijd goed uit. Soms maakte hij me veel te vroeg wakker. Dan weer stond hij midden in de nacht op het bed. Als ik me hardop afvroeg of er inbrekers waren, miauwde hij waarna ik dubbel zo bang was. Eens stapte ik in bed en kwam pijnlijk op iets hards terecht. Het bleek een muis van Tim te zijn.

Wat steeds vaker gebeurde, was dat ik zag dat Tim ook voor mij wilde zorgen en probeerde te ontdekken hoe dat moest. Dat zat zo. De eerste jaren van de nieuwe eeuw waren voor mij zwaar. Om verschillende redenen was ik ongelukkig. Ik at slecht, nam nauwelijks beweging en had als gewoonte 's avonds whisky te drinken. Inderdaad, slechte gewoonten. Houvast zoeken op de verkeerde plaats. Daar moet Tim op zijn manier iets van begrepen hebben.

Eerst mocht ik nog klagen over mijn beroerde leven, maar al gauw sprong hij van het bed af als ik er weer over begon. De boodschap was duidelijk: aan dat geklaag werkte hij niet mee. Maar als ik nare dromen had, en in mijn slaap woelde, maakte hij me zorgzaam miauwend wakker. Soms drukte hij zich 's nachts tegen me aan, en dan werd ik wakker, even maar, voelde zijn aanwezigheid en sliep verder, nu vreedzaam. Als dit vaker per nacht voorkwam, stond ik gebroken op, maar wel met het vreugdevolle besef van verbinding tussen hem en mij. Zo begon Tim aan zijn werkzaamheden als slaapcoach, waarin hij later zo goed zou worden. Het was net iets voor hem. Hij wakker, ik slapend, hij de sterkste, veilig. Tegen mij duwen, kopjes geven, miauwen, een pootje over mijn arm leggen. Mij wakker kunnen maken en dan mij sloom en slaperig zien, waardoor hij zich de snellere wist.

Zou hij al doende meer zelfvertrouwen hebben gekregen, wetend dat hij me hielp? Tim ontdekte iemand te zijn, die wat belangrijks te geven had aan een ander. Hij was een slaapcoach, immers.

 

 

Het huis delen

Zondag 13 september 2015

Terwijl andere meisjes met hun poppen moedertje speelden en zo vertrouwd raakten met hun toekomst met kinderen, zat ik liever te lezen. De ene na de andere biografie toonde me de mogelijkheden die het leven had. Echtgenoot en kinderen leken me steeds minder leuk. Een huis voor jezelf, dat vond ik het ware. Het begin was er: als enige van de drie dochters kreeg ik een kamertje voor mezelf. Dat was gezien de huiselijke vrede een verstandig besluit. Ik moest alleen kunnen zijn, anders maakte ik veel te snel ruzie. In dat kamertje zit ik nog, alleen is het nu een huis vol boeken. Trouwen en kinderen krijgen is inderdaad niet mijn weg geweest. Ik wil nog altijd lezen en schrijven, en ik wil alleen zijn en toch weer niet. Bezoek vind ik moeilijk. Kortom, zoals andere meisjes waren voorbestemd voor het huwelijk met moederschap, zo was ik voorbestemd voor dit boekenleven met een huiskater. Tim was dus meer dan welkom.

Tim van de Loo Juist toen Tim zulke goede vorderingen maakte, viel het me des te zwaarder om geduldig te blijven wachten op het ideale leven. Wanneer ik andere katers aaide, op straat of tijdens een bezoek, dan viel me het verschil met thuis op. Wat Tim en ik deelden, had maanden en maanden gekost om te bereiken: het samen zijn in de huiskamer, op de bank, in de stoel. Het spelen. Het aaien. Door die andere katers begreep ik wat een lange weg we nog te gaan hadden, voordat er sprake zou kunnen zijn van iets dat op een normaal samenwonen leek. Wat ik het meeste miste, was dat Tim nauwelijks tot niet naar de slaapkamer kwam.

Tim leek zijn verblijf gelijkvloers te willen houden. Keuken, badkamer (waar een kattenbak stond), huiskamer en voor de trap naar boven de kleine overloop, waar een tweede kattenbak stond. Wat hem ontbrak, was de moed of de wil de trap naar beneden of naar boven te nemen. Of misschien wilde hij wel, maar lukte het niet. De beide trappen had ik prachtig wit geverfd. Mogelijk waren ze daardoor te glad voor kleine poezenpootjes.
Aan het huis mocht het niet aan liggen. Ik kocht een paar pakketten losse traptreden, een pot lijm en besloot aan de trappen te klussen. Donkergrijze treden op de benedentrap, rode op de trap naar de slaapkamer. Elke trede kwam een beetje scheef op het schilderwerk terecht, maar de oersterke lijm zorgde ervoor dat vast ook heel erg vast betekende. De trappen roken vreemd naar nieuwigheid. Was dat geweken, dan zou ik ontdekken of Tim nu wel naar de slaapkamer wilde komen. Wilde hij niet, dan had ik in ieder geval leuke traptreden.

Het duurde even. Maar er kwam een avond waarop hij over over de trap durfde te lopen, vastberaden om zijn doel te bereiken, ondanks de aarzelingen over het traplopen. Ik hoorde zijn pootjes op de trap, en was meteen klaarwakker van nieuwsgierigheid en spanning. In een dagboeknotitie schreef ik: "Afgelopen maandag kwam hij opeens naar de slaapkamer terwijl ik in bed lag. Hij ging trefzeker op mijn hoofd staan, probeerde nog even een teen op te graven en ging toen naast me liggen spinnen. Wat een vooruitgang. Zo blijkt dus, dat er voor iedere poes hoop is." Een paar maanden later is er weer nieuws: "Wakker gemaakt door Tim, die mij nieuwsgierig en teder besnuffelt. Mijn gezicht tegen zijn vacht, ik praat tegen hem, hij snuffelt zacht aan mijn lippen en kijkt me aan, ik zeg dan: "ik ook van jou, Tim." "

Uit de grote vreugde waarmee ik dat schrijf, weet ik dat het niet vaak voorkwam. Juist het uitzonderlijke ervan maakte de emoties los. Voor Tim moet het toch veel spanning hebben opgeleverd: het huis dat hij tot dan toe gekend had, bleek opeens een stuk groter te zijn. Het leverde nieuw terrein op, dat hij moest verkennen om zeker te weten dat het er veilig voor hem was.
Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe eng het geweest was voor hem om in de slaapkamer dat grote hoge bed te zien, met die donkere ruimte eronder. En dan toch erop te springen en op zachte dekbedden te belanden, waar je als kater lastig overheen kunt lopen. Vanaf het bed moet de kamer er anders uitgezien hebben. En toch deed Tim dat, keer op keer.

Op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo nam hij bezit van het huis om daar zijn eigen wereld in te maken. We deelden soms de bank en soms het bed. Op de trap was hij sneller dan ik. Hij paste onder het fornuis en ik kon bij de keukenkastjes. We vulden elkaar aan, en zo gingen we van een huis delen tot samenwonen.

 

 

Lief zijn tegen elkaar

Zondag 6 september 2015

Tussen Tim en mij ontwikkelde alles zich zo geleidelijk, dat er soms geen enkele vooruitging leek te zijn. En dan opeens merkte ik dat het er toch was. In de huiskamer komen behoorde inmiddels tot zijn gewoonten. Er blijven, op de bank liggen en spelen waren, durfde hij ook al, al bleef het spannend voor ons beiden. Het op schoot zitten bleef iets dat we bleven leren; het ging vaker goed dan niet. Veranderingen voltrekken zich ook langzaam.

Tim van de Loo Op een avond zat ik op de bank toen Tim de kamer in trippelde. Hij schrok er niet eens van dat ik daar was, in plaats van zoals gewoonlijk aan mijn werktafel. Ik liet mijn hand naar beneden bungelen en wapperde er wat mee, net zoals voor de eerste keer dat ik hem mocht aaien. Ook nu werkte het. Tim liep naar me toe en gaf mijn hand kopjes. Erg goed lukte het niet: hij deed het nogal zacht en met weinig coördinatie, af en toe miste hij de hand. Het leek of hij zoiets nooit eerder had gedaan. Met mijn vrije hand klopte ik zachtjes naast me op de bank en vroeg: "Kom je, Tim?" Weer volgde er een herhaling van vroeger: hij sprong op de bank en liet zich daar verder aaien.
Dat aaien heeft vermoedelijk een uur heeft geduurd. Zo lang, zo dichtbij, zomaar op de bank, ik voelde me overweldigd door deze nieuwe indrukken. Ik dacht zelfs een keer: "Tim, eventjes pauze graag." Bijna alles leek mogelijk. Hij kwam heel dicht tegen me aan staan zodat ik met een vinger over zijn kopje kon strelen, en daarbij keek hij me zelfs aan. In zijn borstkas hoorde ik de aanzet van genoeglijk spinnen, even een ronkend geluid, dat weer vervluchtigde. Zijn vacht was veel zachter geworden.
Hoe intiem het ook was, Tim bleef alert. Toen ik iets te langzaam aaide, dacht hij dat ik hem wilde vastpakken. Als waarschuwing zette hij even zijn tanden in mijn hand. Het hielp: meteen aaide ik anders. Zo gaf hij zijn grens aan: bijten, zonder het harde agressieve van de eerste tijd.

De regels van ons samenleven werden duidelijker. Hij kon veel, zolang ik me gedroeg. Mijn normale manier van doen is vlug, maar Tim had er behoefte aan om te begrijpen waar ik was, wat ik deed en waarheen ik ging. Veiligheid en controle waren voor hem belangrijk. Dus als ik naar de keuken wilde, liep ik langzaam. De trap naar boven vermeed ik als hij in de kamer was; het geluid van voeten op traptreden vond hij griezelig. Hem optillen? Uitgesloten. Recht op hem af lopen of mijn hand opeens boven zijn kopje houden kon evenmin. Wat dat aan oude herinneringen terugbracht, weet ik niet, maar het maakte hem elke keer bang en agressief.

Zo groeiden we naar elkaar toe. Tim leerde meer te verdragen. Er kwam een avond waarop hij vanaf de bank met belangstelling toekeek hoe ik aan het opruimen was: papier frommelen, stapels maken, vuilniszakken volproppen. Stuk voor stuk nieuwe geluiden, waar hij in het begin van ons samenwonen beslist niet tegen had gehad. Een keertje lag hij op schoot en ik kon hem een beetje verleggen, dat liet hij toe. Maar bij een onverwacht gepiep van mijn bureaustoel kon hij meteen de kamer uitrennen. En eens bij het aaien van de gladde vacht op zijn voorpootjes, haalde hij overwacht uit en kraste met scherpe nagels op mijn hand die ik prompt wegtrok. "Straks mag je terugkomen Tim," zei ik - nog in de hoop dat herhalingen een vertrouwdheid schiepen. Maar het stelde me teleur, ook om de pijn.

Het werd gewoner dat hij 's avonds op de bank kwam liggen, waar avond aan avond hetzelfde te doen was. Ik zat aan de werktafel te computeren en soms telefoneerde ik. Bezoek was er nooit, ik ben nogal op mezelf. Wanneer hij aandacht wilde, miauwde hij. Ik antwoordde met: "Wat is er Tim?"

Het bange kijken had plaats gemaakt voor een vriendelijke, nieuwsgierige blik, behalve wanneer ik over zijn grens heen ging. Lezen deed ik, als het even lukte, met Tim op de bank. Ik herinner me dat ik een avond De Stille Kracht heb gelezen met Tim slapend op mij, dat hij droomde en ik zijn kleine katerlichaam af en toe zachtjes voelde schokken. We werden liever tegen elkaar.

Maar elke nacht sliep hij onder het fornuis, want daar voelde hij zich het veiligst. Dat vond ik best. Iedereen heeft een eigen plaats nodig, en Tim mocht dat ook hebben, al voelde ik me wel eenzaam in de slaapkamer.

 

 

Leren spelen

Zondag 30 augustus 2015

Dat Tim scherpe tandjes en scherpe nagels bezat, wist ik al te goed. Duurde het aaien een seconde te lang, dan waren dat zijn wapens om zich mee te verdedigen. Bij een mens zou je zeggen: agressie treedt op door adrenaline van de spanning. Dat moet er dan uit, maar dat kan op verschillende manieren. Misschien kon Tim wel leren spelen. Klein beginnen was geboden.

Tim van de Loo

Het leek erop, dat het gewoner werd dat Tim in de huiskamer kwam. We werden er nog gespannen van, maar het nieuwe was eraf. Hij wist, zij zit aan haar werktafel en vraagt me af en toe om op schoot te komen zitten. Ik wist, hij is bang dus voorzichtig-aan.
Vanachter miijn tafel gooide ik op een dag een propje papier de kamer in. Tim keek ernaar, hij deed niks. Ik gooide er nog eentje, erop lettend dat ik hem niet raakte. En weer eentje en weer, kleine witte propjes. Hij bleef aandachtig kijken en een enkele keer haalde hij uit met een pootje. Kennelijk begreep hij wat spelen was. Nu moest hij nog leren doen.

Intussen veranderde de aard van zijn bezoeken aan de huiskamer. Hij durfde op de bank te liggen, waar ik een paar truien voor hem had neergelegd. Zo hoopte ik hem ervan te overtuigen dat het hier fijner was dan onder het fornuis. Daar had ik een metalen dienblad neergezet. Hij hoefde er geen kou te vatten, maar 't moest niet gerieflijk worden.
Er kwam een week waarin Tim twee avonden op die truien lag. Hij bleef zelfs liggen toen ik - o zo behoedzaam en langzaam bewegend - iets uit de keuken haalde. Maar er waren ook momenten dat ik thuis kwam en iets roods door de kamer zag schichten en onder het fornuis schuifelen.

Op een keer gooide ik weer een propje, zonder er veel van te verwachten. In een flits sprong Tim erop. Bam! Ik schrok ervan. Hij schrok van mij. Maar met die sprong had hij de praktijk het spelen ontdekt. In hem was het oersysteem van de jager die een prooi vangt, ontwaakt. En hoe.

Met grote belangstelling keek hij toe hoe ik een propje maakte en dat weggooide. Hij volgde mijn bewegingen en sprong op het propje. Toen zette hij zijn tandjes erin, daarna zijn nagels. Hij probeerde ermee te rennen. Hij begon er tevreden overheen te rollen waarbij hij me aankeek, en ik maakte vriendelijke en bemoedigende geluiden. In zijn enthousiasme zag Tim schoenveters aan voor nieuw speelgoed. Ik vroeg hem: "Mag jij dat?" De vraag en de intonatie waren genoeg om hem te doen beseffen dat het niet mocht. Propjes wel.
Een keertje sprong hij zo enthousiast op het propje af dat hij bijna mijn hand raakte die in de buurt was. Net op tijd herinnerde hij zich dat hij handen griezelig vond. Hij veranderde soepel van richting en het propje was weer in beeld.

Het verraste me dat Tim zo gek op spelen was. Dat wilde rennen en gek doen met een propje. Hij durfde, dat was duidelijk. Ik vond het tijd voor een balletje, een blauw schuimrubberen balletje. Het was meteen een succes. Hij ging ertegen tikken, erachter aan rennen, de hele kamer door. Zo raakte hij nog vertrouwder met de huiskamer en mijn aanwezigheid erin.

Zijn propjes-jagen werd ook beter. Eens zag ik hem eens achter de bank zitten, wat vrij diep is, daaruit opklimmen en zich vanaf die plaats met een leeuwensprong op het propje werpen. "Goed zo Tim," zei ik. "Wat ben je een superpoes, je lijkt wel een Zorro-poes." Tim keek verheugd op. Ik voelde me ook blij. Gesprekjes, contact, zien dat hij plezier in iets had en dat ik erbij mocht zijn, het was al zoveel meer dan ik had kunnen hopen.

Propjes, lintjes, een speelgoedmuis gooien en terughalen. Tim gaf de voorkeur aan eenvoudig speelgoed. Daar kon hij wat mee. Het goedkoper, hoe beter, leek het wel. En die les heb ik nooit goed kunnen leren. In de loop der jaren zou ik een middelgroot fortuin spenderen aan speelgoed uit dierenwinkels en webshops, het een nog kleurrijker dan het andere. Een plaatje van een gelukkige kater erbij was genoeg om mij naar de kassa te krijgen. Het financiële dieptepunt was een aanschaf van een klimmeubel waar Tim nooit in heeft willen klimmen. Toen ik het ding sloopte, bleef als een van de onderdelen een klein korfje over. Dat zette ik tegen de bank. En Tim vond het meteen leuk.

 

 

Op schoot zitten

Zondag 23 augustus 2015

Kennelijk was er een nieuwe fase in ons samenwonen aangebroken. Tim durfde in de kamer te komen en hij durfde door mij geaaid te worden. Daar werd ik optimistisch van. Meteen wilde ik meer, vooral knuffelsessies en samen slapen, precies zoals ik dat met Amore had beleefd. Gauw besefte ik dat wilde ik deze prille nieuwe fase beschermen, ik iets moest leren en dat was het verschil tussen ergens naar verlangen en iets verwachten.

Verwachten voelt een ander als ik-moet.
Verlangen is een uitnodiging. Het hoeft niet. Het mag.

Tim van de LooHet hielp dat ik bij een nachtelijke wc-gang in de keuken onverwacht Tim tegenkwam. Hij zag me, zette zijn haren uit, drukte zich tegen het fornuis aan en schoot weg, ergens heen. Nee, zo vertrouwd waren we niet met elkaar. Hier was veel meer tijd nodig. En over elke - eventuele - vooruitgang besliste Tim. Hij had de leiding over de mate van ons contact. Ik voegde me naar hem.

We wisten niet hoe we met elkaar moesten omgaan. Tim had weliswaar de leiding, maar ik had een taak en dat was hem van de juiste informatie voorzien. Ik moest hem vertellen wat wel en wat niet kon, op een manier die hij begreep. Dus niet iets zeggen, maar iets doen. En dan niet door te straffen, wat voor elk dier iets onzinnigs is. Straffen toont vooral het gebrek van die mens aan. Bij Tim hoopte ik iets te bereiken met de zachte krachten.

Zijn bliksembezoeken aan de huiskamer gingen door en werden langer. Op een dag waagde ik het een voorstel te doen. Ik klopte op mijn schoot en zei: "Tim, kom je?"
Met die vraag begon het leren op schoot zitten. Voor hem was het vermoedelijk nieuw om zo dicht bij een mens te zitten. Hij begreep niet zo goed hoe het moest en wat hij ervan kon verwachten.

Elke keer verliep hetzelfde.
Hij sprong op schoot en bleef daar staan of ging zitten. Dat was al genoeg voor ons om gespannen van te raken, maar ermee ophouden wilden we niet. Ik deed of dit een normale situatie was en aaide hem terwijl ik met zachte stem uitlegde hoe fijn dit was. Ik probeerde uit wat hij fijn vond. Achter zijn oren? Nee. Onder zijn kin? Te kwetsbaar, liever niet. Kriebelen aan de bovenkant van zijn staartje? Ja, dat was fijn. Net als met een hand zacht over zijn lichaam aaien en dan daarbij rustig praten.
Tim was altijd de eerste die er niet meer tegen kon. Dan spande hij zijn rug hard aan en beet in mijn hand. Ik schrok, hij sprong van schoot af en rende weg. Keer op keer ging het schoot-zitten op die manier, tot ik probeerde het bijten voor te zijn. Zag ik die harde rug verschijnen, dan zette ik hem op de grond en zei dat het voor even genoeg was en dat hij later mocht terugkomen. Het gebeurde vaak dat ik het aanspannen miste en toch gebeten werd. Wat er in zijn koppie gebeurde, kan ik alleen raden. Een plotseling een besef van nabijheid. Overprikkeld raken. Paniek.

Wel merkte ik dat zijn vacht zachter werd. Het ruwe dat ik tijdens het eerste contact had gevoeld, was verdwenen. Een ongeaaide kater werd een aaibare kater, zolang het tenminste duurde.

Het bijten was niet speels. Integendeel, het was hard. Zijn puntige tandjes zette hij met agressie en woede in mijn hand. Een aanval op de vijand. Die zelfverdediging gunde ik hem, al wilde ik het liever voor zijn. Ik hoopte dat hij me als zijn veilige mens ging beschouwen. Na het bijten of het op de grond gezet worden, tikte ik verder aan de computer. Soms lukte dat niet, omdat ik geschrokken of verdrietig was. Ik in tranen aan tafel, hij bang onder het fornuis.
Mijn verlangen naar hem was zo groot. Ik wilde hem troosten voor zijn nare verleden door hem te aaien, maar Tim dacht daar anders over. Hij wilde minder dan ik. De enige manier voor mij om meer te krijgen, was minder te geven.

Ik geloof dat het in deze tijd was, dat Tim me een keer aanviel door op me af te lopen met open bek en blazend en starend. Natuurlijk ging ik meteen achteruit, en kwam op de bank terecht. Daar maakte ik me klein en verstopte mijn gezicht in mijn handen, om te verbergen dat ik moest lachen om dit dappere katertje dat zowaar een beetje zelfvertrouwen begon te krijgen.

 

 

Stapjes verder

Zondag 16 augustus 2015

Zoals gezegd gingen er maanden voorbij tijdens het voorlezen aan het fornuis waaronder Tim zich schuil hield. Ik vond het lang duren. In mijn dagboek schreef ik ontevreden dat ik me zo inzette en toch nauwelijks resultaat boekte. Dat zette me aan het denken. Het waren mijn verwachtingen van Tim die mijn teleurstellingen veroorzaakten. Wat als ik accepteerde dat Tim was zoals hij was en voor altijd zo zou blijven? Het betekende samenwonen met een voor mij onzichtbare kater, die 's nachts door het huis liep en zijn eten at met de homeopathische korrels tegen de angst. Het betekende ook, dat ik de rest van zijn leven, misschien tien, vijftien jaar lang, geen poes zou hebben om te aaien. Tim naar het asiel terugbrengen was uitgesloten. Het enige dat erop zat, was mijn verwachtingen van hem los te laten.

Tim van de Loo Ik merkte, dat ik het voorlezen prettiger begon te vinden. Het was niet meer een middel om hem tot mij te brengen, maar een avondlijk samenzijn. Stond ik in de keuken, dan praatte ik tegen het fornuis, wetend dat Tim luisterde. Het leven werd lichter. Ook voor Tim.

Er kwam een ochtend waarop ik een vreemd geluid uit de keuken hoorde. Ik zat zoals altijd aan mijn werktafel in de huiskamer. Langzaam draaide ik mijn hoofd een beetje om. Daar zat Tim, naast de zak katgrind, en hij keek de kamer in. Naar mij. Hij liet zich zomaar overdag zien, al werd hij er zichtbaar gespannen van. Ik draaide mijn hoofd weg en zei zonder hem aan te kijken "Zo Tim, ben je daar". Even later hoorde ik hem terugschuifelen onder het fornuis.
Meteen sprak ik mezelf streng toe dat ik geen nieuwe verwachtingen mocht krijgen. Juist het loslaten had hem de ruimte gegeven. Dus als hij af en toe in de keuken naar me keek, of nooit meer, dan was het ook goed.

Maar Tim had plannen. Hij wilde op verkenning, hij wilde bij me zijn, al wist hij niet of dat kon en hoe dat moest. Dus deed hij het op zijn manier. Vanuit de keuken besloot hij op het overloopje tussen keuken en huiskamer te gaan zitten. Daarna stapte hij over de drempel van de huiskamer. Hij sloop rond met een lage rug en hield me voortdurend in de gaten. Ik bleef naar de computer staren, tikte keer op keer hetzelfde woord en humde wat, in de hoop dat hij me rustgevend vond. Toen hij weer onder het fornuis zat, moesten we alletwee bijkomen van de spanning.

Op een avond tijdens het voorlezen keek ik even naar het gordijntje, waarom weet ik niet. Tim keek terug, recht in mijn ogen, alsof hij wilde weten wie ik eigenlijk was.

De bliksembezoeken herhaalden zich. Komen, kijken, terug. Er waren dagen waarop hij zich vier-vijf keer op een dag liet zien. Hij durfde langer te blijven. Soms ging hij op het tapijt zitten en waste zich, doende of ik er niet was maar alert op mijn aanwezigheid. Ook ik leerde nieuw gedrag. Geen geluiden maken. Wanneer hij in de kamer kwam, legde ik de telefoonhoorn van de haak om gerinkel te voorkomen en als ik al bewoog, deed ik dat in slow motion zodat hij niet zou schrikken. Zo leerden we in elkaars gezelschap te zijn. Het was aan beide kanten wennen.

Op een avond lag ik op de bank te lezen toen Tim de kamer in wandelde, inmiddels met een beetje meer vertrouwen in de situatie. Ik had meteen mijn ogen gesloten, en deed alsof ik sliep. Tussen mijn wimpers door keek hij wat hij deed. Hij liep naar de bank toe, zette zijn pootjes op de rand en sprong op de bank, met een routine die hij 's nachts opgedaan moest hebben. Vervolgens liep hij naar mijn hoofd toe en snuffelde belangstellend aan mijn gezicht. Ik voelde zijn snorharen kriebelen tegen mijn wangen. Hij nam de tijd. Uit alle macht probeerde ik stil te liggen, niet te hoesten en mijn verlangen hem te aaien te onderdrukken. Het moet minuten geduurd hebben. Na maanden leek ik een nieuw mens voor hem.
Toen ik mijn moeder hierover vertelde, zei ze dat het nieuwe best kon kloppen. Het was immers goed mogelijk dat hij door zijn angsten de wereld om zich heen vervormd en bedreigend had waargenomen en nu die wat minder werden, hij de wereld dus ook anders zag.

Tim ging verder. Eind december zat ik aan mijn werktafel te telefoneren toen hij de kamer binnenkwam met een stoere oogopslag. Hij rolde wat over het tapijt heen en keek mij aan. Ik wapperde met mijn hand een losjes "kom eens hier". En hij kwam. De hand gaf hij een kopje en die hand mocht hem aaien, langzaam en voorzichtig. Ik voelde hoe ruw zijn vacht was. Dit was ons eerste echte contact.

 

 

Kennismaken

Zondag 8 augustus 2015

Op zaterdagmiddag 1 augustus 1998 regende het. Het kon me niets schelen. Ik wilde naar het asiel om daar een kater te vinden met wie ik een thuis kon vormen. Al was het kort geleden dat mijn zwarte kater Amore gestorven was, ik kon niet goed alleen zijn. Alleen betekende zonder poes. Omdat Amore me zoveel liefde had geschonken, wilde ik iets terugdoen voor de poezenwereld. Ik zou de poes uitkiezen die het moeilijkste was. "Dan moet u daar zijn," zeiden ze in het asiel. Ze wezen op een kooi met een kleine rode kater van ongeveer twee├źnhalf jaar. Tim. Hij zat zo'n zes maanden in het asiel, in het bezit van een vaag dossier. Scheiding, isolement, allergie, een slechte jeugd die sporen had achtergelaten. Tim gedroeg zich agressief tegen mensen, hoorde ik. Hij wilde niks, hij hoefde niks, hij voerde oorlog. De moeilijkste poes, precies wat ik zocht.

Ik aarzelde toch.

Een uur lang heb ik heen en weer gelopen langs de andere katten. De een leek nog aanhankelijker dan de andere te zijn. Steeds keerde ik terug bij dat ene katertje. Kijken. Denken aan Amore. Weer kijken.

"Mag ik hem vasthouden?" vroeg ik. Ze wikkelden Tim in een dikke deken en overhandigde het pak aan mij. Meteen viel hij aan. Met zijn nagels haalde hij mijn benen tot bloedens toe open, en hij blies vijandig naar mijn gezicht.
"Ik neem hem mee," zei ik.
Met de taxi reden we terug naar huis.
Daar opende ik het korfje. Hij sprong eruit, rende weg en was onzichtbaar. Verdwenen in het huis.

Tim van de LooJa, het was zeker een contrast met Amore. Die bleef met zijn pootjes gezellig om mijn nek hangen als ik naar de wc ging. Van Tim had ik weinig te verwachten. Door hem begreep ik hoe kwetsbaar een dier bij een mens is, en ook, dat ik nu verantwoordelijk was voor de veiligheid van Tim. Hij zag mij als zijn vijand. Hoe kon ik hem uitleggen wat vrede betekende? Het vertrouwen van een kat spreekt niet vanzelf. Het is kostbaar. Na zijn ervaringen bezat Tim alleen argwaan.

Op zondag bleef hij spoorloos. In de nacht had hij van de brokjes gegeten en de kattenbak gebruikt. Op mijn roepen zweeg hij. Het leek, of Tim er niet was. Ik ging hem zoeken, wat achteraf bezien onrustig moet zijn geweest voor hem - precies wat hij niet wilde in zijn kleine oorlog. Achter het fornuis zag ik hem zitten, een bang in elkaar gepropt lijfje met twee grote ogen. Dat kon beter. Ik schoof het fornuis wat naar voren en haalde de onderste la eruit, zodat er een bergruimte ontstond. In de ovendeur klemde ik een katoenen lap vast bij wijze van gordijntje voor de bergruimte hing. Weer terug in de huiskamer hoorde ik hem erin schuifelen. Daar, onder het fornuis, zou hij zijn veilige plaats bezitten.

Dat weekend begon onze reis. Ik voelde me vastbesloten hem niet op te geven. Zo'n jong katertje dat veel te veel meegemaakt had, die mocht bij mij leren wat liefde en veiligheid was, ongeacht hoe lang het zou duren. Het was een besluit, dat voortkwam uit diepe dankbaarheid voor Amore maar ook uit iets anders. In die tijd kenmerkte mijn romantisch leven zich door gebrek aan precies dat: liefde en veiligheid. Ik voelde me ongelukkig in mijn relatie en wist niet goed wat te doen. Wat ik zelf nodig had, kon ik geven aan een kater onder het fornuis. Grenzen respecteren, aandacht voor wie die ander eigenlijk echt was, rust en ruimte waar nodig. In het geven zat het ontvangen. De relatie maakte ik uit na verloop van tijd.

Ik begon rond te bellen en vroeg om advies aan hulpverleners die met mishandelde kinderen werkten. De maatschappelijk werkster en de psycholoog, de mevrouw aan de kindertelefoon, en de rest was het met elkaar eens: ik moest demonstreren dat het veilig was. Niet beloven. De praktijk laten zien.

Dus zo kwam het, dat ik elke avond op de keukenvloer bij het fornuis zat voor te lezen, met zachte stem, enkele minuten lang, zodat de bange jongen achter het gordijntje aan me kon wennen. Hoe ik klonk. Hoe ik rook. Dat ik dus niets deed. Voorlezen en weggaan, avond na avond, en geleidelijk langer dan een paar minuten. Ik las voor uit Louise Hay ("All is well now") en maakte eigen variaties op de profeet: "Je poezen zijn je poezen niet, ze zijn gekomen om bij je te zijn." Na zulke passages vroeg ik: "Hoor je dat, Tim?" Onder het fornuis bleef het altijd stil. Zo gingen er maanden voorbij.

 


 

 

Aan de dag beginnen

Zondag 2 augustus 2015

Tim van de LooEr waren ochtenden, dat ik deed alsof ik sliep. Ik hoorde Tim op de trap met zijn haastige poezenpootjes en daarna hoorde ik het tikken van zijn nageltjes op de planken van de slaapkamer. Ik hield me zo stil mogelijk. Door mijn wimpers zag ik hem voor het bed staan en naar me kijken: was ze wakker, sliep ze? "Hrfssf," knorde ik wazig. Een geluid van ontwaken. Prompt sprong hij op bed, liep over me heen en bleef op mijn borstkast staan met vrolijk opgeheven staartje.

"Miauw." Vol verwachting begon hij te spinnen, een zacht regelmatig geronk.
"Hrfff," blies ik zachtjes voor me uit.

De tweede keer klonk het harder: "Miauw!" Om de spanning op te voeren, bewoog ik even. "Hmfff," deed ik. De mens ontwaakt. Dan deed ik langzaam mijn ogen open om meteen zijn gezicht zien. Hij wachtte op me, met een alerte blik.
"Tim," zei ik met zachte lage stem, "je bent er, wat fijn." Als antwoord begon hij luider te spinnen. Ik friemelde mijn hand onder het dekbed uit en aaide hem. "Wat heb je dat goed gedaan," prees ik, "je hebt me precies op tijd wakker gemaakt." Dat was meestal ook zo. Aaien, spinnen, praten, het een in antwoord op het anderen gauw alles tegelijkertijd. Daarna liepen we over de trap naar beneden, hij voor mij uit, met steeds dat fiere staartje, een antenne van levenslust. Onze dag was begonnen.
Beneden was er het na-aaien, waarbij ik hem verzekerde, dat het een fijne dag zou zijn, met veel aaien en gesprekjes en heerlijke brokjes. Pas hierna brak de ochtend officieel aan.

Zo deed Tim dat. Het is mogelijk dat hij doorzag dat ik me slapend hield, en het is ook mogelijk dat hij wist hoe lastig ik de ochtend eigenlijk vind. Dat wakker worden in een kale dag waarin weer van alles moet of juist niet kan en dit al weten, dus waarom nog aan die dag beginnen? 's Morgens ben ik vatbaar voor sombere gevoelens. Die wil ik uiten. Maar tegen dat vrolijke staartje kon ik niets beginnen. Ik wilde het niet droevig zien neervallen, wetend dat het door mij kwam. Hij had zin in de dag. En ik durfde hem niet teleurstellen door te beginnen over het gebrek aan tijd en over klusjes die op me drukten en dat ik me moe voelde, ondanks negen uur slapen.
Dus deed ik mijn best. Ik klaagde nergens over. Bij het aaien voelde ik door zijn warme vacht heen het trillen van het spinnen, alsof er ergens in dat lijfje een stevige motor draaide. Hij keek me opgetogen aan. Want ja, hij was er weer mooi in geslaagd zijn mens wakker te krijgen, en nog prima op tijd ook. Dat had hij uitstekend gedaan, zijn mens zei het zelf. Tim stond op mijn borst als een monument van blije tevredenheid. Hij dacht niet aan tijdgebrek.

Jaren lang hebben we deze routine gevolgd, met als enige variatie of ik sliep of niet. Zijn aandeel bleef hetzelfde: springen op bed, complimenten ontvangen en spinnen, en mij voorgaan op de trap. Hij maakte de ochtend voor mij gemakkelijk en zelfs fijn. Tim was mentaal de sterkste van ons tweetjes.

Nu ik hieraan terugdenk, glimlach ik bij de herinnering. Van Tim leerde ik wat flinker te zijn. Eerst deed ik alsof, voor hem, maar al gauw begreep ik dat hij gewoon gelijk had. Het is zinloos om jezelf 's morgens in de tobberijen te storten. Die kunnen terecht zijn of niet, maar ze horen op de dag, niet in de ochtend. In dat hele breekbare begin van de dag - want ik ben geen ochtendmens - kan ik beter blij zijn met wat er is. Het simpele feit dat ik wakker ben geworden. Dat is ook niet iedereen gegeven. Hardop zeggen dat het een fijne dag gaat worden, vast, ongetwijfeld. Als ik dan toch een voorschot op de dag wil nemen, kan dat ook positief.

En dat leer ik aan Bertje, die op het moment dat ik dit schrijf nog geen twee maanden bij me woont. Hij voelt zich niet helemaal zeker van dit huis of van mij. Wanneer ik 's morgens beneden kom, kijkt hij met enige aarzeling naar me op. Ik ga naast hem op het tapijt zitten en zeg: "Weet je wat, Bert, dit gaat een hele fijne dag worden." Dan aai ik hem, leg uit wat voor heerlijks er gaat gebeuren en luister hoe hij begint te spinnen. Het helpt, elke keer weer.



©De Stichting Tim wil inspireren tot een betere zorg voor poezen en katers.