Vals alarm

terug naar de pagina "Columns"

Nog voordat ik zijn bordje met ontbijt had neergezet, was Tim uit de kamer verdwenen. Naar boven. Dat was een beetje ongewoon. Mijn kleine rode kater is dol op eten, vooral 's morgens. Ik schoof het bordje heen en weer in de hoop dat het geluid hem terugriep, en begon aan de computer mijn mail te beantwoorden. Hij zou dadelijk wel naar beneden komen.

Maar na een uur stond dat ontbijt er nog precies hetzelfde bij. Onaangeroerd. Ik keek ernaar en in een flits zag ik Tim boven op bed liggen, dood of tenminste ontzettend ziek en ik had tijdens zijn sterven harteloos zitten doortikken. Hoe kon ik? In een paar sprongen was ik de trap op, en keek de slaapkamer in. Een paar slaperige ogen keken me aan. Wat er was? Ik zei: "Tim, wil je niet eten?" Hij keek weg. Misschien later, dacht ik, en ging weer naar de computer.

Dit jaar wordt Tim vijftien jaar. Een bejaarde poes, inderdaad. Niet onsterfelijk, nee, al is de vorige poes negentien geworden. Maar die had geen nierklachten en ook geen artrose. Dat enge getal (vijftien) doet me beseffen dat eens het einde komt. Voor iedereen, behalve als je een steen bent, maar toch had ik dat sterfelijke van Tim op de een of andere manier succesvol verdrongen. Hoe groot de angst voor het afscheid is, merk ik elke keer als Tim iets anders doet dan ik gewend ben. Het gaat tegen het gezond verstand in. Ik bedoel, iederéén gaat dood. En het hoort bij huisdieren hebben dat jij als mens op een dag die laatste beslissing neemt.

Die ochtend ging ik nog enkele keren kijken op de slaapkamer. Hij zag er sloom uit. Apatisch. Zou hij uitgedroogd zijn? Of ondervoed? Met die zorgen belde ik de dierenarts op en ik moet bekennen dat ik al snel in tranen raakte. "Wat kan er nog gedaan worden?" riep ik snikkend tegen een assistente die elke dag overspannen mensen te woord moet staan. We konden gelukkig de volgende ochtend al terecht voor geriatrisch bloedonderzoek. Misschien was er iets mogelijk met medicijnen. 's Middags ging ik met een bezwaard hart de deur uit en keerde met angst in mijn lichaam terug. Wat zou ik aantreffen?

In de huiskamer stond Tim. Hij keek me recht in de ogen. "Tim, je leeft!" riep ik, bijna weer in tranen. Hij wenste zijn avondeten, dat was duidelijk. Erom miauwen was niet eens nodig. Hij had heerlijk bijgeslapen. Die avond belde ik de dierenarts af, rood van schaamte over mijn gedrag. Vals alarm. Ik was veranderd in een overbezorgd, hypernerveus en hysterisch poezenvrouwtje.