Albert Verweij

terug naar de pagina "Columns"

Het moet op de een of andere manier uit zelfbescherming geweest zijn, dat ik net die dag mijn portemonnee was vergeten. Alleen in mijn jaszak had ik nog wat muntjes zitten. Toch nog íéts, terwijl in het centrum elke winkel vol was van aanbiedingen waarvoor pinnen noodzakelijk was. Om mezelf af te leiden, liep ik over de boekenmarkt op het Plein. Daar zijn altijd planken met boeken voor één euro.

Ik was laat, ze begonnen al in te pakken. Maar die laatste kraam had de goedkope boeken nog op de kraam liggen. Dus dat kon dubbel fijn wezen: een voordeel in de laatste minuut, zoiets stemt tevreden. Een oud boek viel me op, kartonnen band, onbestemd van kleur en toen ik het uit de andere bandjes loswrikte, woog het minstens een kilo. Deel twee van de verzamelde poëzie van Albert Verwey. Even later had ik ook het eerste deel gevonden. Zware boeken, ik voelde ze op mijn arm drukken. Met mijn vrije hand tastte ik in de jaszak. Had ik het nog? Ja, net aan.

"Van welke tafel komen ze?" vroeg de verkoper. Dáár wees ik. Ik telde twee euro uit in vele kleine muntjes en liep weg met een knagend gevoel in mijn hart. Dat miezerige bedrag voor deze grootse poëzie. Al dat prachtige in de twee kloeke banden verzameld, de oogst van een uitzonderlijk leven, en dan, ja dan wat? Een generatie of wat later en je ligt in het goedkoopste tarief op een plank te wachten. Het leek me verkeerd, ergens was er iets mis gegaan in de afgelopen eeuw, en dat ik dat harde geld zo blij had neergeteld, verweet ik mezelf. Net of ik het ermee eens was geweest dat de dingen zo waren gegaan. Eigenlijk had ik extra geld moeten bijstorten, in de hand van de koopman of van de eerste bedelaar die op mijn pad zou komen. Maar ja, de knip lag thuis op de koelkast, ver buiten het moment, en daarna zou het niet meer tellen.

Als kleine boetedoening liep ik een dubbel lang rondje door de stad, steeds de boeken op mijn arm dragend zodat een ieder goed kon zien dat het hier om Albert Verwey ging, van klanten in Blokker tot aan de verkoopsters op de lingerieafdeling van de Bijenkorf toe. Doodmoe stapte ik in de tram en pas toen mocht ik van mezelf gaan lezen. Het was alles zeer prachtig.

(deze column verscheen onder de titel Twee euro)