Vilan wil... naar de hemel

terug naar de pagina "Columns"

In de zomer is de wereld harder. Sneller, moderner en luidruchtiger: elke radio in de straat is binnen hoorbaar. Daar zit ik, gevuld met een zoet heimwee naar de dingen die nooit voorbij gaan. Het strand, de eeuwige zee en het bijbehorende uitzicht op de hemel. "Bij ons is er dat gewoon," zei de zeeman tegen me, "elk seizoen van het jaar." De hemel op aarde heet Katwijk aan Zee, en Arie Kraaijenoord woont er sinds jaar en dag. Op zijn arm een tatoeage met een vogel ("ze noemen mij de kraai") met daaronder de naam Nel ("we zijn 33 jaar getrouwd"), Arie is precies zoals ik me een zeeman voorstel.

Deze zeeman is een nuchter mens. Zo zijn ze allemaal in Katwijk. De koningin komt er paardrijden en niemand kijkt op of om, behalve als er te veel fotografen meekomen want dat hindert een Katwijker, die heeft een hekel aan dat soort aanstellerij. Het leven is er overzichtelijk. Arie is een goede naam voor een man, net als Piet. Zo heette Arie's vader, Piet dus, en diens vader heette weer Arie en zijn vader Piet. Een neef heeft het uitgezocht tot 1690 toen de familie vanuit Noordwijk naar Katwijk kwam. Sindsdien varen ze, korter of langer, maar varen doen ze allemaal. "Bij ons in de straat werd je timmerman of je ging varen", zegt de zeeman. "Je maakte de lagere school af en als je vijftien jaar was, mocht je mee de zee op."

Ik luister ademloos. Als stadsjuffer is mijn bestaan een aaneenschakeling van nerveuze snelheid. Een dag is om voordat ik het weet en straks is het buitenzwembad alweer dicht, ben ik wel vaak genoeg geweest? Al leef ik elke minuut twee keer, toch kom ik tijd tekort. In de agenda lijken de dagen zich vanzelf te vullen, een mens heeft tijd voor zichzelf nodig, misschien volgend maand, of de maand erna. Zomerse onrust die me gejaagd maakt.
"Als ik ga varen, ben ik gemiddeld drie weken weg. Op een schip is het Katwijkers onder elkaar; toen mijn zoons voor het eerst weg gingen, was ik erbij. Ze hadden ook een oom en een paar neven aan boord. Dan gaat het goed. Anders komt er heimwee of ruzie. Je zit zo dicht op elkaar, je moet ontzettend veel van elkaar kunnen hebben. Het is vijf uur op, vijf uur af." De zeeman kijkt naar mij en zegt rustig: "Nee, vrouwen hebben we niet aan boord."

Toch is het leven van Arie niet altijd geweest zoals het nu is. Varen zat in zijn bloed, maar hij werd als jonge jongen aangeraakt door het noodlot: "Op die kleine bootjes van toen werd ik zeeziek. Op maandag voeren we uit en dezelfde dag lag in te kotsen in mijn kooi, tot we op vrijdag weer in de haven lagen. Dan was ik kilo's lichter. Dat ging dus niet en toen ben ik in de bouw gaan werken. Ik vond dat heel erg. Later kwamen de grote schepen en daar ben ik invallend matroos geworden. Nooit zeeziek, zo'n groot schip schommelt niet zoals een klein bootje." Hij haalt zijn schouders op. Wat doe je eraan, zo is het gegaan, en moet je dan in opstand komen, waarom zou je. Wie weet waar je voor gespaard bent gebleven; er zijn genoeg mannen in zijn familie op zee gebleven. Zo gaat dat in Katwijk, er heerst een rechtvaardigheid die geen mens kan doorgronden.

Dat zit vooral in oud Katwijk, hoor ik, waar de zwaren en de lichten in het geloof naast elkaar wonen. Op zondagochtend kan ik zelf in de kerken het verschil komen horen, zegt Arie uitnodigend, bij de zwaren gaat het om hel en verdoemenis en bij de lichten om de blijdschap van het evangelie. "In de oude kern zijn de mensen protestants zoals ik, in de buitengebieden katholiek. Daar hebben ze ook groenteveilingen terwijl wij in de vis zitten."
En hij vertelt verder, langzaam wordt het verhaal treuriger. Over de nieuwe generatie die niet meer vaart, de mensen van buiten die geen band met de kerk hebben, het christelijke op de schepen dat aan het verdwijnen is. "Tegenwoordig bidt de kapitein niet meer, er is alleen een moment stilte." Ze varen nu zelfs op zondag. Dan de jeugd, wat moet hij erover zeggen? "Ze maken overuren om geld te verdienen, en een groep gooit dat in drank en drugs. Dat gebeurt ook in Urk, Volendam en in Scheveningen."

Zo kwam de wereld naar Katwijk aan Zee, begrijp ik uit zijn verhaal. De hemel is er niet meer of misschien alleen voor de gelovigen, de lichten en de zwaren, die elke zondagochtend bidden voor de mannen die op zee zijn gebleven, in elk seizoen van het jaar. Katwijk is nog altijd een beetje anders, zeker voor een stadsjuffer die lijdt aan zomerse onrusten.