Op de kalender

terug naar de pagina "Columns" Op de kalender

“En als ik er niet bij sta, dan schrijf ik mijn naam gewoon op de verjaardagskalender,” zei P. triomfantelijk. Ik was er stil van. Om de brutaliteit om bij mensen je als jarige aan te melden, met de verwachting van felicitaties. Maar ook omdat ik zelf altijd heimelijk kijk of ik op de verjaardagskalender sta, iets waarover ik me een beetje schaam. Zoiets hoort toch niet. Toch doe ik het elke keer, en als er geen kalender hangt, voel ik me teleurgesteld.

De opmerking van P. bleef nog lang bij me hangen. Ook begon ik na te denken over al die verjaardagskalenders die ik op al die verschillende wc's had doorgenomen. Vooral de grote kalenders met veel namen erop genoteerd (meestal in een vrouwenhandschrift), hadden elke keer weer indruk gemaakt. Wat hadden die mensen een grote vriendenkring, daar kon ik nog wat van leren. Mijn echte vrienden en vriendinnen kan ik op de vingers van een hand tellen, en daarmee voel ik me rijk. Op zo'n kalender kon ik vast mijn naam bijschrijven, zonder dat het opviel of iets uitmaakte. Precies daarom heb ik het nooit gedaan.

Op mijn wc hangt ook een kalender, met boven elke maand een afbeelding van een poes. Mijn kalender oogt betrouwbaar, maar is dat helemaal niet. Dat komt vooral doordat er dierbare mensen opstaan die al jaren dood zijn. Ik wil geen kruisje achter hun naam zetten, sterfdagen herdenken is me te verdrietig, liever ben ik elke keer blij als hun verjaardag nadert. Gewoon, omdat ik ze zo een beetje bij me kan houden. Bijna om de maand heb ik dus zo'n dag. Als mijn hartsvriendin C. jarig is, denk ik aan alles wat we deelden, en hoe we als meisjes samen zo konden lachen om niks. Ik haal herinneringen op met mezelf, en dan is ze er weer, een dag lang, net als de anderen die ik ook in mijn hart vasthoud. Ze horen bij mij, ik hoor bij hen.

Misschien is dat wel wat een verjaardagskalender eigenlijk vertelt. Wie hoort bij ons, bij wie mogen wij horen? Mijn vriend P. meldt zichzelf onbekommerd aan bij iedereen die een kalender bezit: “Hallo, hier ben ik, en we hebben het vast leuk samen, daarom schrijf ik vast mijn naam op de kalender”. Dat optimisme over welkom-zijn is me vreemd. Ik ben meer van het voorzichtige, kijken, afwachten, piekeren over hoe de ander mij vindt. Aan mijn buitenkant is dat nooit te merken, daar zorg ik wel voor. Ik voel het vooral op de momenten waarin ik alleen ben, thuis achter de gesloten gordijnen, of op een vreemde wc met de deur op slot. Dan blader ik door die verjaardagskalender, in de hoop mijn naam te vinden. En nu ik er dieper over nadenk, moet ik maar eens een daad van betekenis stellen. De pen uit de handtas nemen, mijn naam erbij schrijven. We horen allemaal bij elkaar, en iemand moet ermee beginnen.