Een landkaart van vlekken

terug naar de pagina "Columns" Een landkaart van vlekken

De dag kwam, dat ik besloot om mijn moeder de vraag der vragen te stellen. Toen ik las dat vitiligo erfelijk kon zijn, hoopte ik dat er familieleden met vlekken waren. Maar wie? Nooit had ik vroeger op verjaardagsvisites iemand gezien die anders was. Op de familiefoto's die ik bezat, zag iedereen er gewoon uit. Voor de zekerheid scande ik de foto's in zodat ik ze in mijn computer tien keer zo groot kon bestuderen. Nergens een witte wenkbrauw of een lichte vlek in het haar. Wel ontdekte ik een oom in Zeeland die aan de Engelse ziekte moet hebben geleden. Ik begon me schuldig te voelen over mijn vlekken. Net of ik een ziekte in de familie had gebracht.

“Nee hoor, niemand,” zei mijn moeder. “Tenminste, niet dat ik weet.” Ze dacht na. Ik hoopte dat er een naam in haar zou opkomen, en vooral dat het die ene leuke tante zou zijn. Met haar wilde ik best iets gemeen hebben. “Als ik iets weet, hoor je het,” beloofde ze. “Graag,” zei ik teleurgesteld.
Een dag later belde ze al. “Je vader had een landkaart van vlekken op zijn rug,” zei ze. “Dat hoorde gewoon bij hem, dus daar hadden we het nooit over.” Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen. Hij dus óók, maar voor hem hadden die vlekken nauwelijks betekenis gehad. Of juist zo veel, dat hij om gesprekken af te weren er levenslang nonchalant over deed. “Weet je ècht niemand anders?” drong ik aan. Dat wist ze niet, maar wel vertelde ze nog dat aan haar kant van de familie rode vlekken voorkwamen. Holy Moses, dacht ik, zoiets had dus ook nog gekund. En in gedachten verving ik elke witte vlek op mijn lichaam door een knalrode of dieppaarse vlek. Nee, dan toch liever wit.

Het beeld van die landkaart liet me niet los. Dat was wat bijzonders. Geen simpel plattegrondje met de plaatselijke supermarkt en een bushalte erop, maar een kaart van een onbekend gebied. In mijn verbeeldingskracht ontstond uit die landkaart een eigen wereld. Die melkwitte uitlopers waren eilanden tussen land en zee, en ik dacht aan het volk dat daarop woonde. Eilanders zijn eigengereid, snel met wantrouwen. Ja, dat zat wel in mij. De grote gebieden op mijn buik met hier en daar wat verblekend pigment, een steppe was dat, alleen geschikt voor de volhouders met een lange adem. Als het moest, was ik ook zo. Een beginnende vlek in mijn elleboogholte zag ik ook met nieuwe ogen. Kleine ijsschots op zoek naar aansluiting. Het maakte me verlegen.

Zo had ik al met al een onverwacht antwoord ontvangen op die vraag der vragen. Van mijn vader kreeg ik de vlekken, en mijn moeder gaf me het woord ervoor cadeau. De rest doe ik, met fantasie, wat moed der wanhoop en, ik geef het toe, een nieuwe interesse voor die vlekken. Inmiddels kan ik er bijna een roman over schrijven.