In mantelpak

terug naar de pagina "Columns"

Elke zomer komt het minstens één keer voor, dat ik hetzelfde gesprekje voer als de zomer daarvoor en daarvoor. Het is tegen de dertig graden, al een paar dagen. Nederland puft en zucht. Overal zijn de ventilatoren uitverkocht. Zo'n dag. Dan moet ik met de bus mee, omdat ik elders een afspraak heb. Bij de bushalte spreekt een onbekende vrouw mij aan.

"Heeft u het niet warm?" vraagt ze.
En ik: "Gelukkig wel."
Dan volgt er een stilte waarin zij en ik naar elkaar kijken. Zij ziet mij, in mantelpakje, panty's en schoenen. Blousje. Handtas. Ik zie eerst haar boezem, dan het te kleine t-shirt dat er half overheen hangt. Zij heeft blote armen en benen. We zijn vreemden voor elkaar, in heel veel opzichten. Meestal houdt de vrouw nog even aan.
"Dat u een panty draagt," zegt ze beschuldigend.
Zoiets steekt me. Daar word ik nuffig van. Dan zeg ik iets als: "Wanneer het te warm is om fatsoenlijk gekleed naar buiten te gaan, blijf ik liever binnen."
Zo maak je geen nieuwe vriendinnen.

Maar toch, ik blijf erbij. Zomer of winter, ik draag hetzelfde, en dat is een zwart mantelpakje met blousje. Soms een coltrui, en soms een maillot. Meer variatie hoeft niet, in combinatie met de wisseling van zomerjas en winterjas met wollen das. Op enig moment in het verleden heb ik besloten dat dit bij me past en dus koop ik steeds meer van hetzelfde, alleen dan net even anders. Het geeft evenveel rust als genoegen. Dat vind ik een gouden combinatie. Alleen die zomer, o die zomer, waarin de mensen commentaar gaan leveren, waarom is dat toch zo?

Correctie. Die mensen, dat zijn vrijwel altijd vrouwen. Degenen die gemakkelijke kleren het hoogste ideaal vinden. Ik ben liever netjes. Al heb ik geleerd dat zoiets consequenties kan hebben. Ooit interviewde ik iemand op zo'n dertig graden tropendag. We zaten op een podium onder brandend hete spotlights en ik had speciaal hiervoor mijn nieuwe mantelpakje aangetrokken, gemaakt van pure wol. Op de foto's zie ik mijn rode wangen en dan herinner ik me weer hoe warm dát was. Gelukkig is katoen ook mooi.

Ik hou dus moedig stand, dat heeft u vast begrepen. Ook in de zomer ben ik degene die ik moet zijn, al vallen de mussen van het dak. En daarna komt het hele heerlijke, wanneer in de herfst iedereen weer kleren draagt. Dan is alles weer wat ik noem: gewoon.