Onderweg

terug naar de pagina "Columns"

Ik ben keurig opgevoed, mijn ouders deden wat ze konden, al was het in huis meestal gezelliger wanneer ik alleen op mijn kamer zat. Wie zwijgt, kan niet tegenspreken. Dat was destijds een uitkomst in het drukke gezin. Pas later bleek dat in zwijgen veel wrok opgeborgen kan worden. Om dat terug te vinden, zijn veel slapeloze nachten nodig. En om het te begrijpen een beetje - of meer dan een beetje - therapie.

Het is vreemd, hoeveel jaren ik nodig heb om te leren worden wie ik ben. 't Is nog altijd werk in voortgang. Geen kinderen, nul alimentatieverplichtingen, een kortingskaart voor het openbaar vervoer, de wereld ligt voor me open. Wat ik ermee wil, ontdek ik door vallen en opstaan, door in deze zomermaanden eindeloos lang te gaan fietsen en simpelweg door na te denken over die wrok die ik als kind voelde. Groots en meeslepend wilde ik leven, maar mijn ouders stuurden me op tijd naar bed. Onder de dekens las ik met een zaklamp boeken om mijn dromen te voeden, dwars tegen de eis in dat het licht vroeg uit moest. Dat doe ik nog steeds, lezen. Dankzij de literatuur begrijp ik met terugwerkende kracht dat wie ik moet zijn, opgesloten ligt in dat kind van toen. Het is een kwestie van afpellen, lijkt het, tot ik bij de kern kom. Dat heb ik geleerd uit Die andere wereld, dat prachtige boek van Madelon Székely-Lulofs (1934).

In deze roman gaat de Hollander Pieter Pot naar Indië, waar hij zich voor het eerst iemand van belang voelt. Maar de twijfel of dat echt zo is, knaagt aan hem. Het is hard werken in de rubber op Deli, in de sociëteit kan hij het niet echt vinden met de andere mannen. Pieter blijft een vreemde in zijn nieuwe wereld. Hij voelt dat er iets is, voor hem ongrijpbaar:

"Maar wát het precies was, zou hij toch niet hebben kunnen zeggen. De stilte misschien? […] Heel dit onherroepelijk overglijden van den doodstillen avond naar den zoemenden, sjirpend-ontwakenden, levenden nacht?... Een andere wereld, die voortgaat te bestaan en die groter is, dan alle menschenwerk bij elkaar…"

Nee, dat kan hij niet bevatten. Dan nog niet tenminste. Pas later, wanneer hij na zijn lange Europese verlof terug is in Indië, daagt het inzicht, langzaam, heel langzaam, en met moeite verkregen. Hij moet bijna alles verliezen van wat hij met geld en levensenergie heeft willen verwerven. Als zijn laatste illusie wegvalt en het uur van de dood voor hem komt, is het duidelijk:

"En toen zag hij in dit licht zichzelf: een mensch, die sterft en stervend vrij wordt van alle leelijkheid en slechtheid en pijn en van alle menschzijn. Er was ergens een troost, die op hem neerdaalde, over hem heen stulpte…"

Zo eindigt dat leven. Klein. Als een kind. Terug bij het begin.

Vilan van de Loo
Madelon Székely-Lulofs: Die andere wereld (eerste dr. 1934; citaten uit vijfde druk, 1946)