Op het perron

terug naar de pagina "Columns"

Vanuit mijn ooghoeken zag ik een oude man achter een rollator vooruitschuifelen. Een zware, zwarte rollator, de tank onder alle hulpstukken. Toch liep de man traag. Soms moest hij even rusten van de inspanning. Maar uiteindelijk kwam hij terecht waar hij wilde wezen. Dat bleek pal naast mij te zijn. We keken vooruit en wachtten op dezelfde trein. En ik dacht, dit komt op mijn weg, straks moet ik hem helpen. Hoe, wist ik niet. De moed zonk me in mijn schoenen.

Van binnen begon ik boos te worden. Man, hoe kun je, riep ik in stilte. Hoe durf je, op dit ellendige station, in dit spitsuur, met een rollator nog wel. Zo begon ik een monoloog over anderen niet tot last mogen zijn, jezelf opdringen, reizen op andere uren, en dat er toch regelingen zijn voor ouderen, als die inmiddels niet afgeschaft zijn. Intussen stond de oude man rustig naast me. Net of we bij elkaar hoorden. In vredesnaam dan maar, schreeuwde ik tegen mezelf. Al had ik geen idee hoe ik een breekbare man met een loeizware rollator de trein in moest krijgen, temidden van de honderden overspannen spitsreizigers.

De trein stopte met de deuren pal voor ons. Ik keek opzij, recht in zijn ogen. "Zal ik u een arm geven", zei ik, korter dan de bedoeling was. De man knikte. Zijn arm nam ik stevig in de mijne, alsof het een hendel was waarmee ik hem met rollator en al in de trein zou kunnen kieperen. Zo gingen we langzaam naar voren. In de treindeur zette ik mijn linkervoet schrap in de hoek, blokkeerde de ingang en merkte in een flits dat iedereen wachtte. De rollator tilde ik - hopla! - in de trein. De oude man nam zijn tijd. Daarna schuifelde hij naar een zitplaats in het tussenstuk. Twee jongens stonden op. Nee, niet voor mij, schudde ik en ging een coupé verderop zitten. Moe, opeens.

In Leiden stapte ik uit en liep het station door, op weg naar huis, denkend aan de man en zijn rollator, en dat ik gewoon kon lópen, snél ook als ik zin had, maar dat hij, in al zijn fysieke broosheid, misschien toch sterker was dan ik. Omdat hij de moed bezat om van anderen het beste te verwachten. Een hart vol vertrouwen, en zo onder de mensen te gaan.