Schuld

terug naar de pagina "Columns"

Hij belde me op, out of the blue, na jarenlang gezwegen te hebben. Zijn stem klonk als toen, in de tijd dat we elkaar dagelijks spraken. Of hij me kon zien, hij was soms in de buurt. Natuurlijk, zei ik, kom snel, dan gaan we eten. De ontmoeting was een desillusie. Hij had zijn talent om te schilderen opgegeven om voor vrouw en kinderen te zorgen. Niet dat het wat uitgehaald had, want gescheiden was hij toch. En ziek, hij had reuma in zijn handen, dus dat schilderen kwam er nooit meer van. De spanningen die tot reuma en het slechte huwelijk hadden geleid, die waren was mijn schuld. Hij eiste verontschuldigingen. Daar zat ik, tegenover hem aan het restauranttafeltje. Ik stamelde iets over moeten nadenken en vertrok.
Schuld, denk ik, hebben mensen eigenlijk schuld aan elkaar? Ik ben een engel van liefde tot het tegenzit, en daarna niet meer. Dan zeg ik vol venijn iets waardoor een ander van streek raakt, vooral als het een ex-boyfriend betreft gebeurt dat, gek hoe inspirerend zo iemand toch is. Het is niet goed, dat weet ik.

Diet Kramer schrijft over schuld in haar roman Thuisvaart (1948). Het is bitterhard proza dat keer op keer herdrukt werd, zes keer verscheen het, de laatste keer in 1965. Marja is de enige van een gezin van vijf die de kampen overleeft en uit Indië naar Nederland gaat. Ze is koud en hard geworden, afgesloten voor God en de mensen, al in het kamp begon dat:

"Ze zag de zieken en stervenden om zich heen: ze hielp hen en trachtte hun lijden te verlichten. Maar zonder woorden, zonder meeleven. Het ging langs haar heen, zoals ook de eigen pijn - het brandend gevoel in de maag, de duizeligheid, de hoofdpijn - door haar genegeerd werd."

Zo gaat het verder, ook in Nederland. Marja leeft in een zelfgekozen isolement, los van familie, alleen met enkelen uit Indië is er contact. Maar ze blijft zoals ze was in het kamp, "zonder meeleven". Dan gaat het mis met een vriend, daarna met een tweede, door wat er in Indië gebeurde en het niet-thuis zijn in dit Hollandse leven, ondanks het willen meedoen in de maatschappij. Jonge mensen die de oorlog in zich dragen, vindt Diet Kramer, die redden het alleen met naastenliefde, met Gods kracht. Dat ziet Marja uiteindelijk in: "Als een dwaas had ze gevochten, nadat ze het 'ik' had omringd met prikkeldraad, met rasterwerk. Ze had zichzelf voor een tweede maal in een concentratiekamp gezet. Maar het leek nu zo onwerkelijk, zo lang geleden."

Het loopt goed af met Marja, maar dat kan ik over mijzelf nog niet zeggen. Over Gods kracht weet ik weinig, oorlog ken ik nauwelijks maar wat Diet Kramer bedoelt, begrijp ik een beetje. We moeten elkaar vasthouden, met een hand of een woord, wie het kan, moet het doen. Anders ontstaat er schuld.

Diet Kramer: Thuisvaart. Amsterdam: Holland Uitgeversmaatschappij, zesde dr. [oorspr. 1948]