Tassenvrouw

terug naar de pagina "Columns"

Laat in de middag kwam ik terug in Leiden. Een dagje uit geweest, daarna drukte in de trein; ik verlangde naar de rust van mijn eigen overzichtelijke huis. Vanaf het station is dat twintig minuten lopen, precies een wandeling waar je wat van opknapt. Dus ik liep, al was ik moe.

Misschien kent u Leiden een beetje. Het is er oud en mooi, maar ook schots en scheef. Vrijwel alle stoepen zijn aan de ene kant hoger dan aan de andere kant, wat bepaald ongemakkelijk loopt, zelfs op de meest solide schoenen. Je moet blijven opletten. En in de binnenstad, waar ik woon, zijn veel hellingen en bruggetjes, steil, met planken eruit of spiegelglad als het regent. Wat u zegt, een feest voor kinderen en circusartiesten. Voeg daarbij talloze studenten die op de fiets overal doorheen crossen en u heeft een beeld. Gezellig, en met hindernissen.

Ik was bijna thuis, toen ik een vrouw op een brug zag staan, met haar beide handen vastgeklemd aan dezelfde kant van de leuning. Ze schuifelde met kleine stapjes vooruit, en met haar bewogen de vele tassen mee die ze bij zich had. Toen ik dichterbij kwam, zag ik hoe mager ze was. Haar leeftijd was onduidelijk, ze had het gezicht van iemand die de wereld wantrouwde. Diepe lijnen, een behoedzame oogopslag, snel wegkijken. En dan op zo'n Leidse brug te staan, het leek vragen om ongelukken.

“Heeft u hulp nodig?” vroeg ik. Ze keek me vorsend aan. Ik zweeg. Met een onverwacht kwiek gebaar verplaatste ze een hand van de brugleuning naar mijn arm, kneep erin en zei: “Nee, hoor. Ik hoef alleen die straat door en dan ben ik thuis”. Ze keek me recht aan, zo intens als je tegenwoordig zelden tegenkomt, dacht even na en zei: “Maar 't is lief van je”. Daarmee stuurde ze me weg, en ik liep door, verbaasd en ook een beetje opgelucht. Toen ik omkeek, leek de tassenvrouw nauwelijks een centimeter gevorderd.

De vrouw bleef in mijn hoofd rondspoken. Kennelijk woont ze dichtbij, dus kan ik haar opnieuw tegenkomen. En wat dan? Vragen hoe het gaat, durf ik niet meer. Ze heeft een grens getrokken. Geen bemoeienis, dank u en ga weg. Zo kan het dus ook. Je kunt oud, ziek en wantrouwend zijn en nog geen hulp van anderen hoeven. Waarschijnlijk is haar huis één grote chaos, met kleren en boeken die ze een leven lang opspaarde, en aan de deur af en toe een hulpverlener die ze even vastberaden wegstuurt als ze het met mij deed. Zelfstandigheid boven alles, wat het ook kost, al moet je alle bruggen van Leiden over.

Geleidelijk daagde het besef. In de tassenvrouw had ik een toekomst gezien: de mijne. Want een zachtmoedig oud vrouwtje zit niet in mij. Het zelfstandige van de vrouw herkende ik, en sommige bruggen vind ik nu al onbegaanbaar. Maar het is vreemd om van binnen gewoon te zijn wie je bent, en toch die volgende fase nabij te voelen komen.