Het fenomeen vrouwenvereniging

terug naar de pagina "Columns" Het fenomeen vrouwenvereniging

Nergens maken ze in Nederland zo graag grapjes over als over vrouwenclubs. Of nee, misschien nog grager over schoonmoeders. En wie maken die grapjes? Vrouwen niet. De eerste man die ik me in dit opzicht kan herinneren is mijn vader. De VOS, de VIDO en vooral het Vrouwenhuis, hij kon of wilde het niet serieus nemen.Dus toen ik het huis uit was, ging ik naar het Vrouwenhuis. Metéén. Daar moest iets gebeuren waar ik bij wilde horen. Dat was ook zo. Er kwamen allerlei verstandige, zelfverzekerde vrouwen, die eruit zagen zoals ze eruit wilden zien. Helaas viel ik een beetje uit de toon, want destijds had ik net ontdekt dat de Hema ook parelkettinkjes verkocht en bij het Leger des Heils kocht ik dameskleren uit het jaar nul. Ook droeg ik veel lipstick. Al keken zij een beetje vreemd naar mij, op mijn beurt keek ik bewonderend naar deze vrouwen vol zelfvertrouwen. Vooral naar Barbara, een lange vrouw met een stralende lach.

Op een avond zag ik eindelijk een kans om Barbara aan te spreken. Ze had een oude zwarte bontjas meegenomen, die ze nonchalant voor de bar had neergegooid. "Wat een mooie jas," zei ik verheugd, "even passen, hoor", en ik stak mijn hand ernaar uit. De jas bewoog en gromde. Barbara zei tegen de hond: "Stil", en tegen mij: "Ze heet Vulva." Of ik iets heb terug gezegd, weet ik niet meer.

Vrouwen onder elkaar blijft voor mij iets bijzonders. Inmiddels heb ik lezingen gegeven in clubs, verenigingen en netwerken van Groningen tot aan Maastricht. Nergens hoor ik er helemaal bij, en overal vind ik iets goeds. Er zijn voorzitsters die zogenaamd een beetje helpen en intussen de hele club runnen, er zijn leden die al vijftig jaar komen en nooit zeuren dat het vroeger beter was, en vooral, er zijn oceanen aan liefde en gezond verstand. Dat heb je iets minder bij de mannenclubs, mag ik dat zeggen?

Als ik een man hoor vertellen over zijn club, dan gaat het nogal eens over prestaties. Zoveel euro opgehaald voor het goede doel. Met z'n allen hierheen geweest en dat gezien. En hoeveel jaar ze al bestaan, dat moet ik dan ook aanhoren. Ik probeer altijd een gepaste dosis bewondering te tonen, al denk ik ook: dit gaat mijn ene oortje in, en het andere oortje weer uit.

Waar ik ècht bewondering voor heb, zijn vrouwen van een zekere leeftijd die naar elkaar omkijken, en dat met plezier en trouw doen. Daar komt geen man aan te pas. Misschien is het dát, waardoor die zenuwachtige grapjes in de wereld komen.

(deze column verscheen in Denken & Doen onder de titel Van Groningen tot Maastricht en Middelburg)