Wies
van Groningen: 'Het voetpad'
"De vrouwen die hun mannen
volgden" schrijft Wies van
Groningen, en in deze zin gaat een wereld schuil.
Verhuizen, wachten, ontberingen lijden
en nooit er echt aan wennen, omdat
een leven eigenlijk zo niet zijn
kan. Maar wel was, want dit is het
verhaal van Clara Hukom, de moeder
van Wies.
Drie dagmarsen was het langs het
oude voetpad van Kotadjané - waar
de verharde weg ophield - naar de garnizoensplaats
Blangkedjerèn. Een voetpad, honderdnegenendertig
kilometer lang, dat steeds weer opengekapt
moest worden. Iedereen die overgeplaatst
werd naar Blangkedjerèn had die
weg te gaan. Zo ook de vrouwen die
hun man volgden. Zo ook mijn moeder
met haar drie maanden oude baby.
Het vertrek was enkele dagen uitgesteld omdat er
geruchten waren dat het kampement was overvallen
en in brand gestoken.
'Door communisten,' zeiden de Nederlanders.
'Door nationalisten,' zeiden de mensen die er woonden
en van wie het land was.
De kapitein die de leiding had van de militaire post
in Kotadjané had verkenners uitgezonden en men
wachtte op hun terugkeer. En ja, het kampement was
overvallen maar juist die dag waren extra veel soldaten
nog laat in de kantine aan het kegelen en had men
snel en efficiënt kunnen reageren. Voorbereidingen
werden nu getroffen voor een snel vertrek.
In het grijsdonker van de volgende
ochtend stond iedereen in groepjes
bij elkaar.
Soldaten in hun groene katoenen
veldtenue, met groene bamboehoed
en groene puttees, getrokken klewang
in de rechterhand in verticale
stand; over de linkerarm de karabijn
in horizontale stand. De draagriem
verlengd en met een slag om de
arm om wegrissen door de tegenpartij
te voorkomen.
Strapans voor het dragen van de
bagage en het voedsel voor onderweg
stonden klaar. Vrouwen die bij nieuw
overgeplaatste soldaten hoorden en
de sergeant die de leiding had.
Mijn vader die als kwartiermeester was aangesteld
in Blankedjerèn stond bij mijn moeder en de
strapan die hun baby tijdens de de reis in een draagmand
zou dragen.
Als kwartiermeester zou mijn vader de verantwoordelijkheid
krijgen voor de hele bevoorrading van het kampement.
Omdat men rekening moest houden met wat voor calamiteiten
dan ook, moest de voorraad bovendien voldoende zijn
om het drie maanden uit te kunnen houden. Voedingsmiddelen,
medicijnen, olie voor de verlichting, dekens, kledij,
noem maar op. Dat betekende een uitgebreide boekhouding.
Daar kwam bij het beheren van de kas en het uitbetalen
van soldij en salarissen. Mijn vader kreeg een onafhankelijke
positie en was alleen verantwoording schuldig aan
het militair gezag in Kota Radja. Vandaar kreeg hij
ook zijn instructies.
De kapitein kwam naar buiten. Hij
inspecteerde het geheel en kwam
mijn ouders begroeten. Zij hadden
elkaar al beter leren kennen in de
dagen van oponthoud. Hij vertelde
mijn moeder dat er een paardje klaarstond.
Een bergpaardje, zodat voor haar
de reis wat lichter zou zijn. Mijn
moeder wist dat het een gebaar
van mijn vader was; het leger bekommerde
zich niet om reisgemak. Bij het
licht worden vertrok de karavaan
in één
lange rij voor de voettocht door
het oerwoud, over de hellingen van
het gebergte van de Gajo-Loeaslanden
en door het stroomgebied van de Alasrivier.
Wat weet ze er nog van.
Hoe onvoorbereid ze was en slecht
toegerust voor zo'n mars met haar
lichte jurk en dunne schoentjes.
Hoe onverbiddelijk het tempo. Hoe
de dag begon om half zes en om zes
uur het marcheren, door tot half
zes 's avonds, met een half uur middagpauze.
Dat krankzinnige marcheren om op
tijd in het bivak van die avond te
zijn. Zo was het dienstbevel, zo
werd het uitgevoerd. Hoe bij eetpauzes
in een half uur al het nodige moest
zijn uitgepakt, eten worden klaargemaakt
en opgegeten en de baby verschoond
en gevoed. Binnen dat halfuur moest
ook iedereen weer startklaar zijn
of klaar voor de nacht. Hoe de baby,
met dik ingevette billetjes die 's
avonds werden schoongeschrapt en
gewassen in het ijskoude water van
de Alasrivier, niet mocht huilen
omdat wie weet, wie dan ook, het
zou kunnen horen. Hoe ze huilend
van vermoeidheid, want ze had een
oude soldatenvrouw op haar paard
gezet omdat ze niet kon aanzien hoe
het oude mens voortstrompelde, hoe
ze huilend van vermoeidheid wel eens
ging zitten op een boomstronk, om
dan te horen: 'Even dan, mevrouw,
maar het is beter dat we allemaal
bij elkaar blijven.'
Hoe ze op de hoge heren had gescholden, die uit zuinigheid
geen verharde weg lieten aanleggen en zich niet bekommerden
om de vrouwen en kinderen van de manschappen van
het Koninklijk Nederlands Indische Leger: het KNIL,
dat er tenslotte voor zorgde dat daar geld verdiend
kon worden. Dik geld. Hoe ze zo schold dat de Ambonees
die na een wenk van de sergeant altijd in haar buurt
bleef om een helpende hand te kunnen bieden, angstig
om zich heen keek. 'Niet doen mevrouw, pas op dat
ze u niet horen.'
Wat weet ze er nog van.
Fragment geciteerd uit het verhaal
'Het voetpad' zoals opgenomen in
Wies van Groningen: Clara Hukom.
Verhalen uit Blankedjerèn. Is
militair. Is militair. Landelijk
Steunpunt Educatie Molukkers, 2000. Pag. 11-15.
|