Maria
Dermoût: 'De goede slang'
In het verhaal 'De Goede slang'
verschijnt Louisa de naaister. Zij
is "slank en donker in haar
rechte zwarte kleren; zij zegt nooit
veel." Maar toch kan zij vertellen
zoals weinigen dat kunnen.
"Louisa zit rechtop in haar donkere
kleren op een klein kistje. Zij heeft
een zwarte rok aan en een zwarte
kabaai met lange mouwen, die met
een rij knoopjes nauw om haar polsen
gesloten zijn. Haar handen zijn tenger
en lenig, met lange vingers en toegespitste
nagels, mooie handen, heel donkerbruin.
Zij houdt haar gezicht met het kroezende
zwarte haar omhoog, sluit soms even
de ogen, alsof zij alle aandacht,
alle spanning in zichzelf besloten
wil houden, opent de ogen, kijkt
strak voor zich uit naar iets dat
zij voor zich ziet en beschrijft
het in korte woorden, telkens afgebroken,
zinnen zijn het nauwelijks, maar
nooit meer zullen wij horen vertellen
zoals Louisa die avond op Hila vertelt,
over de slang, de Slang met de Karbonkelsteen,
de goede slang.
Zo begint zij:
'In de wildernis,' zegt zij, 'in het bos, de zon
is weggegaan, de maan is niet gekomen, de sterren
ook niet, donker, véél te donker,' en rilt
even in haar schouders, en zwijgt. Lange tijd zwijgt
zij.
Dan heft zij haar handen op, soms de linker, soms
de rechter, soms beide tegelijk, en begint langzaam
de vier vingers, niet de duim, van iedere hand te
bewegen, op en neer zoals iemand die piano speelt.
De spieren gespannen, langzaam, vinger voor vinger,
dat alleen.
Voetjes die neergezet worden.
Hoe zij het doet, weet ik niet, telkens andere, of
verbeelden wij het ons maar? Kleine scherpe klauwen,
bredere pootjes, die vaster en zwaarder aan komen
stappen, of stijve rechte hoefjes, of schuifelende,
of aansluipende voetjes. . . voetjes van wie? . .
. voorzichtig. . . doodvoorzichtig. . .
Eerst zien wij het alleen, dan horen wij het ook,
ritselende in deondergrond van het stille bos, blaadjes
die erdoor bewogen worden, een takje dat verschuift,
kraakt. Sssst! Pas toch op! Voorzichtig!
En dan komt haar stem donker en zacht erbovenuit,
en zij noemt ze op, één voor één,
die daar lopen. Eerst de vogels.
'De vogel Woudduif, roekoe, roekoe-koe, altijd één
keer koe achteraan.
De vogel Kakatoea.
De vogel Bètèt.
De vogel Loerie.'
Soms beschrijft zij er een.
'De kleine zwarte loerie, glanzende als zwart satijn,
met een geel bekje en gele pootjes, hij is erg lief.
De vogel Papoea, dat is de paradijsvogel, zijn staart
is zo mooi, net een fonteintje, zoals water van goud.
De vogel Kroonduif heeft blauwe veren en witte sterren
op zijn kop, die is o zo trots.
De Jaarvogel is moe, zijn dikke gele snavel is te
groot,' en zij sleept met haar vingers. En nog meer,
nog meer. . .
Dan komen de andere dieren.
'Het dwerghertje, slim!' en haar vingers stappen
nog stijver, nog omzichtiger dan tevoren.
'Het civetkatje, de mungo, met zijn lange pluimstaart,
zijn oogjes zien lichtrood,' zegt zij, en snuift
even door haar neus; en wij ook ruiken de vreemde
doordringende muskuslucht in de kamer, meteen weer
vervlogen.
Zo gaat zij verder, één voor én, langzaam,
en noemt de kleine dieren van de wildernis.
'De leguaan, als een klein groen draakje.
Het honingbeertje, zachtjes grommende.
De boskat, vals, die gele ogen van hem.
De kleine luiaard, veel te lui om hard te lopen.'
Wanneer zij zegt 'Bottol-muntji', dat zijn de dwergen,
breekt ineens de jongen de ban, de bijna te grote
spanning.
'Hoe zien z'er uit Louisa?'
Het is jammer, ook Louisa is gestoord, zij kijkt
om zich heen.
'Ach,' zegt zij na een tijd ongeduldig, 'dat weet
je toch wel, met rood haar en vooruitstekende tanden,
net als een eekhoon, maar dan zonder staart en ze
lopen rechtop!" De jongen en het meisje kijken elkaar
even aan- natuurlijk!
'Je moet stil zijn,' fluister ik. 'Luister toch.'
Louisa sluit haar ogen, spreekt niet en dan, langzaam,
heft zij haar ene hand weer op, de andere, beweegt
de vingers op en neer, gespannen, gespannen, klauwtjes-pootjes-voetjes,
en zij neemt ons weer mee terug in de wildernis,
in het duistere stille bos, met de vogels, de dieren,
al de andere, die aan komen lopen, trippelen, springen,
schuifelen, sluipen, er is ook een klein bosspookje
met groene ogen waarvan de voetjes achterste voren
staan, en dat met scheve sprongetjes lopen moet,
zó; zij zijn voorzichtig, o zo voorzichtig,
omdat zij bang zijn, bang voor elkaar, bang voor
het donker, bang voor honger en pijn en dood, bang
voor onnoembare dingen.
Wij houden de adem in.
Louisa beweegt de vingers niet langer op en neer;
zij heeft haar ene hand neergelegd op de andere en
zwijgt, en het is stil, niets beweegt.
'De slang komt,' zegt zij fluisterende, 'de Slang
met de Karbonkelsteen op het voorhoofd, rood zóals
een rood lichtje, zóals een kleine lamp in het
donker. Hij komt dichterbij, en gaat zitten, op een
steen, in het bos. Hij zit rechtop, in staatsie,
de anderen mogen ook zitten, om hem heen.'
'Het is niet meer donker,' zegt zij, 'zij zijn niet
bang. . . '
Louisa zwijgt een tijdlang.
Zij heeft nu haar beide handen omgekeerd; die liggen,
de palmen opwaarts nu, in elkaar op haar schoot,
en langzaam komt in onze harten ook dat onzegbare
iets, een stilte, een goedheid, van alle vrees verlost.
'De vogels gaan zachtjes fluiten en zingen in de
nacht,' fluistert Louisa.
'De vlinders komen, die grote, die blauwe, die dansen
kunnen.' Zij heft nu haar beide handen op en beweegt
die lange lenige vingers als met een kwijnende vleugelslag.
Stil, stil, het is alles goed.
Het verhaal is uit en wij gaan slapen op Hila."
Fragment geciteerd uit het verhaal 'De Goede slang'
zoals opgenomen in Maria Dermout: Verzameld Werk Querido,
2001. Pag. 449 en pag. 453-455. |