2003:

Familie Rexhäuser

 

Familie Noto Soeroto

2002:

Familie Holman

 

Familie Van Groningen

 

Familie Keuls

logo Generaties
Maria Dermoût
Foto uit biografie door Johan van der Woude

Maria Dermoût: 'De goede slang'

In het verhaal 'De Goede slang' verschijnt Louisa de naaister. Zij is "slank en donker in haar rechte zwarte kleren; zij zegt nooit veel." Maar toch kan zij vertellen zoals weinigen dat kunnen.

"Louisa zit rechtop in haar donkere kleren op een klein kistje. Zij heeft een zwarte rok aan en een zwarte kabaai met lange mouwen, die met een rij knoopjes nauw om haar polsen gesloten zijn. Haar handen zijn tenger en lenig, met lange vingers en toegespitste nagels, mooie handen, heel donkerbruin. Zij houdt haar gezicht met het kroezende zwarte haar omhoog, sluit soms even de ogen, alsof zij alle aandacht, alle spanning in zichzelf besloten wil houden, opent de ogen, kijkt strak voor zich uit naar iets dat zij voor zich ziet en beschrijft het in korte woorden, telkens afgebroken, zinnen zijn het nauwelijks, maar nooit meer zullen wij horen vertellen zoals Louisa die avond op Hila vertelt, over de slang, de Slang met de Karbonkelsteen, de goede slang.
Zo begint zij:
'In de wildernis,' zegt zij, 'in het bos, de zon is weggegaan, de maan is niet gekomen, de sterren ook niet, donker, véél te donker,' en rilt even in haar schouders, en zwijgt. Lange tijd zwijgt zij.
Dan heft zij haar handen op, soms de linker, soms de rechter, soms beide tegelijk, en begint langzaam de vier vingers, niet de duim, van iedere hand te bewegen, op en neer zoals iemand die piano speelt. De spieren gespannen, langzaam, vinger voor vinger, dat alleen.
Voetjes die neergezet worden.
Hoe zij het doet, weet ik niet, telkens andere, of verbeelden wij het ons maar? Kleine scherpe klauwen, bredere pootjes, die vaster en zwaarder aan komen stappen, of stijve rechte hoefjes, of schuifelende, of aansluipende voetjes. . . voetjes van wie? . . . voorzichtig. . . doodvoorzichtig. . .
Eerst zien wij het alleen, dan horen wij het ook, ritselende in deondergrond van het stille bos, blaadjes die erdoor bewogen worden, een takje dat verschuift, kraakt. Sssst! Pas toch op! Voorzichtig!
En dan komt haar stem donker en zacht erbovenuit, en zij noemt ze op, één voor één, die daar lopen. Eerst de vogels.
'De vogel Woudduif, roekoe, roekoe-koe, altijd één keer koe achteraan.
De vogel Kakatoea.
De vogel Bètèt.
De vogel Loerie.'
Soms beschrijft zij er een.
'De kleine zwarte loerie, glanzende als zwart satijn, met een geel bekje en gele pootjes, hij is erg lief.
De vogel Papoea, dat is de paradijsvogel, zijn staart is zo mooi, net een fonteintje, zoals water van goud.
De vogel Kroonduif heeft blauwe veren en witte sterren op zijn kop, die is o zo trots.
De Jaarvogel is moe, zijn dikke gele snavel is te groot,' en zij sleept met haar vingers. En nog meer, nog meer. . .
Dan komen de andere dieren.
'Het dwerghertje, slim!' en haar vingers stappen nog stijver, nog omzichtiger dan tevoren.
'Het civetkatje, de mungo, met zijn lange pluimstaart, zijn oogjes zien lichtrood,' zegt zij, en snuift even door haar neus; en wij ook ruiken de vreemde doordringende muskuslucht in de kamer, meteen weer vervlogen.
Zo gaat zij verder, één voor én, langzaam, en noemt de kleine dieren van de wildernis.
'De leguaan, als een klein groen draakje.
Het honingbeertje, zachtjes grommende.
De boskat, vals, die gele ogen van hem.
De kleine luiaard, veel te lui om hard te lopen.'
Wanneer zij zegt 'Bottol-muntji', dat zijn de dwergen, breekt ineens de jongen de ban, de bijna te grote spanning.
'Hoe zien z'er uit Louisa?'
Het is jammer, ook Louisa is gestoord, zij kijkt om zich heen.
'Ach,' zegt zij na een tijd ongeduldig, 'dat weet je toch wel, met rood haar en vooruitstekende tanden, net als een eekhoon, maar dan zonder staart en ze lopen rechtop!" De jongen en het meisje kijken elkaar even aan- natuurlijk!
'Je moet stil zijn,' fluister ik. 'Luister toch.'
Louisa sluit haar ogen, spreekt niet en dan, langzaam, heft zij haar ene hand weer op, de andere, beweegt de vingers op en neer, gespannen, gespannen, klauwtjes-pootjes-voetjes, en zij neemt ons weer mee terug in de wildernis, in het duistere stille bos, met de vogels, de dieren, al de andere, die aan komen lopen, trippelen, springen, schuifelen, sluipen, er is ook een klein bosspookje met groene ogen waarvan de voetjes achterste voren staan, en dat met scheve sprongetjes lopen moet, zó; zij zijn voorzichtig, o zo voorzichtig, omdat zij bang zijn, bang voor elkaar, bang voor het donker, bang voor honger en pijn en dood, bang voor onnoembare dingen.
Wij houden de adem in.
Louisa beweegt de vingers niet langer op en neer; zij heeft haar ene hand neergelegd op de andere en zwijgt, en het is stil, niets beweegt.
'De slang komt,' zegt zij fluisterende, 'de Slang met de Karbonkelsteen op het voorhoofd, rood zóals een rood lichtje, zóals een kleine lamp in het donker. Hij komt dichterbij, en gaat zitten, op een steen, in het bos. Hij zit rechtop, in staatsie, de anderen mogen ook zitten, om hem heen.'
'Het is niet meer donker,' zegt zij, 'zij zijn niet bang. . . '
Louisa zwijgt een tijdlang.
Zij heeft nu haar beide handen omgekeerd; die liggen, de palmen opwaarts nu, in elkaar op haar schoot, en langzaam komt in onze harten ook dat onzegbare iets, een stilte, een goedheid, van alle vrees verlost.
'De vogels gaan zachtjes fluiten en zingen in de nacht,' fluistert Louisa.
'De vlinders komen, die grote, die blauwe, die dansen kunnen.' Zij heft nu haar beide handen op en beweegt die lange lenige vingers als met een kwijnende vleugelslag.
Stil, stil, het is alles goed.
Het verhaal is uit en wij gaan slapen op Hila."

Fragment geciteerd uit het verhaal 'De Goede slang' zoals opgenomen in Maria Dermout: Verzameld Werk Querido, 2001. Pag. 449 en pag. 453-455.

Stuur een e-mail!