2003:

Familie Rexhäuser

 

Familie Noto Soeroto

2002:

Familie Holman

 

Familie Van Groningen

 

Familie Keuls

logo Generaties
Theodor en Marscha Holman

Theodor Holman: 'Oom Noes'

Theodor Holman sr werkte in de jaren '30 als assistent-resident in Pasoeroean. Na de oorlog kwam hij naar Nederland, het land waar hij voor Indoloog gestudeerd had. Zo keerde hij terug naar zijn geboorteland Indië en hij bleef er tot na de oorlog, na de kampen. Zijn zoon draagt zijn naam en bezit een deel van zijn herinneringen. Theodor Holman schrijft over zijn vader.

Zijn ontgroeningsverhalen uit het midden van de jaren dertig en zijn verhalen als assistent-resident waren de enige verhalen waaruit hij stoer naar voren kwam.
Na '45 is hij inderdaad nooit meer stoer geweest.
Zijn eigenlijke kwaliteit was het 'achteruitdringen'. Hij was een kampioen in het 'achteruitdringen'. Altijd en overal liet hij mensen voor gaan, tot ergernis van ons. Waar we ook waren, altijd moesten anderen voor. 'Nee, helpt u die mevrouw maar eerst, ik kijk nog even.' Bekend is het 'Haleman-verhaal'. Mijnheer Haleman was sigarenhandel in de Jacob Obrechtstraat en verkocht tevens staatsloten. Hij vertelde iedereen die het maar horen wilde, dat mijn vader ooit de honderdduizend had laten schieten doordat hij mevrouw Heide-De Vries, onze buurvrouw, voor had laten gaan!
Mevrouw Heide-De Vries, een pronte dame van in de veertig, liet zich onmiddelijk van haar man scheiden en gad haar geld uit aan stoere jongens van zeventien, die ze in de mooie kleren stak en aan wie ze brommers uitdeelde.
'Maar goed dat wij dat geld niet hebben gewonnen,' zei mijn vader dan.
'O, had jij je dan meteen van mij laten scheiden en had je dan allemaal meisjes van zeventien mee naar huis genomen?' vroeg mijn moeder daarop.
'Ja, voor ons,' zei mijn broer dan.
Het achteruitdringen van mijn vader moet een psychisch defect zijn geweest.
'Mijnheer Holman, u bent nu echt aan de beurt,' hoorde ik de slager nog zeggen.
'Nee, nee, ik ben niet aan de beurt. Die mevrouw met dat bruine jasje is nog voor mij.'
'Nee, die kwam echt later binnen dan u, hoor.'
'Dat kan wel wezen, maar dames gaan voor. Helpt u die mevrouw maar eerst, en daarna die mijnheer, want ik die dat die mijnheer erge haast heeft.'
'Of ze haast hebben of niet. U bent nu gewoon aan de beurt, mijnheer Holman!'
'Ja, maar ik kan wachten. Ik heb trouwens mijn keus nog niet bepaald. Helpt u die anderen nou maar eerst.'
Achteruitdringen.
En toch!
De volgende herinnering: Ik ben een jaar of negen, tien. Ik loop met mijn vader bij de Munt. Daar had je toen langs de kant van de weg een grote grijze politieverkeerstoren met een luidspreker. In die verkeerstoren zat een agent het verkeer te regelen. Op een gegeven moment grijpt mijn vader me stevig bij de hand en we steken de Munt over. Onmiddelijk hoor ik vanuit de hemel de ijzingwekkende metalen stem gebieden: "Wil die Indische mijnheer met dat kleine jongetje terugkeren en bij het stoplicht oversteken! Die Indische mijnheer met dat kleine jongetje! Terugkeren en bij het stoplicht oversteken!" Mijn vader pakt mij nog steviger vast en stapt ferm door. Weer die stem: "Die Indische mijnheer met die grijze jas en die alpinopet op, met dat kleine jongetje! Terugkeren naar het stoplicht!"
'Pap. . . papa,' piep ik langs zijn arm naar hem op kijkend, 'dat zijn wij. . . die agent bedoelt ons. . . pap.'
Mijn vader loopt gewoon door en zegt tegen mij: 'Ik ben geen Indische mijnheer. Ik ben Nederlander.'

Fragment geciteerd uit het verhaal 'Oom Noes' zoals opgenomen in Het blijft toch familie, Nijgh & Van Ditmar, 2002, pag. 52-53. (vierde druk)

Stuur een e-mail!