Theodor
Holman: 'Oom Noes'
Theodor Holman sr werkte in de
jaren '30 als assistent-resident
in Pasoeroean. Na de oorlog kwam hij naar Nederland,
het land waar hij voor Indoloog gestudeerd had.
Zo keerde hij terug naar zijn
geboorteland Indië en
hij bleef er tot na de oorlog, na de kampen.
Zijn zoon draagt zijn naam
en bezit een deel van zijn
herinneringen. Theodor Holman
schrijft over zijn vader.
Zijn ontgroeningsverhalen uit het
midden van de jaren dertig en zijn
verhalen als assistent-resident waren
de enige verhalen waaruit hij stoer
naar voren kwam.
Na '45 is hij inderdaad nooit meer stoer geweest.
Zijn eigenlijke kwaliteit was het 'achteruitdringen'.
Hij was een kampioen in het 'achteruitdringen'. Altijd
en overal liet hij mensen voor gaan, tot ergernis
van ons. Waar we ook waren, altijd moesten anderen
voor. 'Nee, helpt u die mevrouw maar eerst, ik kijk
nog even.' Bekend is het 'Haleman-verhaal'. Mijnheer
Haleman was sigarenhandel in de Jacob Obrechtstraat
en verkocht tevens staatsloten. Hij vertelde iedereen
die het maar horen wilde, dat mijn vader ooit de
honderdduizend had laten schieten doordat hij mevrouw
Heide-De Vries, onze buurvrouw, voor had laten gaan!
Mevrouw Heide-De Vries, een pronte dame van in de
veertig, liet zich onmiddelijk van haar man scheiden
en gad haar geld uit aan stoere jongens van zeventien,
die ze in de mooie kleren stak en aan wie ze brommers
uitdeelde.
'Maar goed dat wij dat geld niet hebben gewonnen,'
zei mijn vader dan.
'O, had jij je dan meteen van mij laten scheiden
en had je dan allemaal meisjes van zeventien mee
naar huis genomen?' vroeg mijn moeder daarop.
'Ja, voor ons,' zei mijn broer dan.
Het achteruitdringen van mijn vader moet een psychisch
defect zijn geweest.
'Mijnheer Holman, u bent nu echt aan de beurt,' hoorde
ik de slager nog zeggen.
'Nee, nee, ik ben niet aan de beurt. Die mevrouw
met dat bruine jasje is nog voor mij.'
'Nee, die kwam echt later binnen dan u, hoor.'
'Dat kan wel wezen, maar dames gaan voor. Helpt u
die mevrouw maar eerst, en daarna die mijnheer, want
ik die dat die mijnheer erge haast heeft.'
'Of ze haast hebben of niet. U bent nu gewoon aan
de beurt, mijnheer Holman!'
'Ja, maar ik kan wachten. Ik heb trouwens mijn keus
nog niet bepaald. Helpt u die anderen nou maar eerst.'
Achteruitdringen.
En toch!
De volgende herinnering: Ik ben een jaar of negen,
tien. Ik loop met mijn vader bij de Munt. Daar had
je toen langs de kant van de weg een grote grijze
politieverkeerstoren met een luidspreker. In die
verkeerstoren zat een agent het verkeer te regelen.
Op een gegeven moment grijpt mijn vader me stevig
bij de hand en we steken de Munt over. Onmiddelijk
hoor ik vanuit de hemel de ijzingwekkende metalen
stem gebieden: "Wil die Indische mijnheer met
dat kleine jongetje terugkeren en bij het stoplicht
oversteken! Die Indische mijnheer met dat kleine
jongetje! Terugkeren en bij het stoplicht oversteken!" Mijn vader pakt mij nog steviger vast en stapt ferm
door. Weer die stem: "Die Indische mijnheer met die grijze jas en
die alpinopet op, met dat kleine jongetje! Terugkeren
naar het stoplicht!"
'Pap. . . papa,' piep ik langs zijn arm naar hem
op kijkend, 'dat zijn wij. . . die agent bedoelt
ons. . . pap.'
Mijn vader loopt gewoon door en zegt tegen mij: 'Ik
ben geen Indische mijnheer. Ik ben Nederlander.'
Fragment geciteerd uit het verhaal 'Oom Noes' zoals
opgenomen in Het blijft toch familie, Nijgh
& Van Ditmar, 2002, pag. 52-53. (vierde druk) |