Yvonne Keuls: '1999'
Een keten van voormoeders en moeders
schetst Yvonne Keuls in dit verhaal,
en zelf is zij moeder en grootmoeder...
de keten wordt langer.
Is het waar dat je bij elk verlies
het vorige verlies opnieuw beleeft?
Toen mijn moeder net was overleden,
op 2 maart 1988, schreef ik in mijn
dagboek: 'Zoals ze daar ligt, is
ze niet alleen maar zo jong als mijn
zuster, ze lijkt op haar, ze is mijn
zuster. Het sterven van de ene geliefde
gaat over in het sterven van de andere
geliefde.'
Toen mijn oudste broer stierf, kwam alles wat zich
rond het sterven van mijn moeder had afgespeeld,
weer bij mij boven en in de periode erna trok mijn
leven als haar dochter weer door me heen. Nooit eerder
had ik de behoefte gevoeld om over die wonderlijke,
soms moeizame moeder-dochterrelatie met iemand te
praten, laat staan om erover te schrijven.
De dood van mijn oudste broer werd de aanleiding.
Ik ging achter mijn computer zitten en tikte de zin
die ik op 2 maart 1988 in mijn dagboek had geschreven.
Daarna gebeurde het vanzelf. Het leven van mijn moeder
ontvouwde zich voor mij, waarschijnlijk omdat zij
over een bijzondere eigenschap beschikte: zij was
een verhalenvertelster. Een leven lang had ze me
verhalen verteld over haar voormoeders, een woord
dat ik nog door niemand had horen gebruiken en dat
zij waarschijnlijk zelf bedacht had. Háár
voormoeders. De vrouwen van wie zij afstamde en die,
toen zij dood was, plotseling mijn voormoeders werden,
want iemand moest ze toch onderdak verlenen.
- 'Zal ik over jouw voormoeders
vertellen?'
'Ja, over mijn voormoeders!' juichte ik.
'Goed, over jouw voormoeders, want jij bent verwant
aan het Javaanse volk door jouw voormoeders.'
Dat was niet niks. Niemand had voormoeders, alleen
ik. Op mijn school wisten ze zelfs niet wat voormoeders
waren. Zelfs de juffrouw niet. De juffrouw wist alleen
wat voorvaderen waren. Voorvaderen of voorvaders.
Toen ik aan mijn moeder vroeg of ik dan geen voorvaders
had, antwoordde ze: 'Ach, jawel, jij hebt ook voorvaders,
jij hebt een vader en grootvaders en overgrootvaders
en zo door en zo door, allemaal met een naam, levend
of dood; maar zij bestaan alleen maar als zij een
plaats krijkgen in de verhalen van hun vrouwen of
hun moeders.'
Ik had drie voormoeers met een naam. Levend of dood,
dat deed er niet toe, want rond al deze vrouwen hing
een waas van verhalen, en zoo lang die rondgingen
in de tijd, zo lang zouden mijn voormoeders leven.
-
Deze tekst, die uit mijn computer
rolde, deed me beseffen dat mijn moeder
mij verbonden had aan mijn voormoeders.
Ik kwam nooit meer van ze af. Mijn
voorvaders bestonden alleen maar als
ze bruikbaar waren voor het verhaal.
Mijn voormoeders wáren het verhaal.
Ik had niet alleen bloedbanden met
hen, neen, ze waren onsterfelijk geworden
door de verhalen die mijn moeder mij
verteld had en die ik, om welke ondoorgrondelijke
reden dan ook, zou doorvertellen als
het moment daar was.
En het moment was daar. Zomaar, op de dag dat ik
met die eerste zin de weg baande voor de andere zinnen.
Het wonder van het schrijven. Toen na vijf maanden
het boek over mijn moeder, mijn voormoeders en mezelf
klaar was, en ik het boek een naam had gegeven: Mevrouw
mijn moeder, en het boek dus bestónd, bleek
tot mijn opperste verbazing dat eerste zin overbodig
was geworden. Ik liet hem verdwijnen. Ik liet hem
verdwijnen, met een minuscuul tikje op een toets.
Ik liet hem verdwijnen. Delete. En ik hield het boek
over.
In november 1999 werd het bekroond met de Trouw Publieksprijs
1999.
Verhaal '1999', zoals opgenomen
in Madame K. Van Indisch kind
tot Haagsche dame Ambo, 2e dr.
2002, pag. 317-319
|